II Wat christenen geloven
In het eerste hoofdstuk komt Lewis op grond van logisch redeneren tot de conclusie dat er Iemand of Iets buiten het heelal verantwoordelijk is voor de algemene zedenwet. Als dat alles is wat over deze Scheppende Macht te weten te komen is, dan is de situatie voor de mens hopeloos. Als deze Macht goed is, dan kunnen wij nooit aan zijn eisen voldoen; als deze Macht niet goed is, hebben wij nog minder te verwachten. Vervolgens schrijft hij, als introductie op het tweede deel van het boek, dat het christendom een uitweg biedt voor de mens in zijn ogenschijnlijk hopeloze situatie.
Dit tweede deel beschrijft de kern van de Godsleer volgens het christendom.
1. De rivaliserende beelden van God
Christen zijn betekent niet dat er geen enkele waarheid daarbuiten, ook in andere godsdiensten, te vinden is. Wat niets afdoet aan de claim van het christendom dat dit de ware Godsdienst is. Andere godsdiensten kunnen wel een deel van de waarheid hebben omarmd.
De mensheid kan in twee groepen worden verdeeld, de groep die het bestaan van een God of meerdere goden erkent en de groep, een minderheid, die dat niet doet.
De eerste groep kan onderverdeeld worden in hen die geloven dat God boven goed en kwaad verheven is en dat goed en kwaad door mensen bedachte begrippen zijn waarbij beoordeling van wat goed en kwaad is afhangt vanuit welke gezichtshoek een zaak bekeken wordt; de tweede groep gelooft dat goed en kwaad door God bepaalde begrippen zijn en Hij goed is en wil dat wij dat ook zullen zijn. De eerste zienswijze - pantheïsme - gaat veelal gepaard met de overtuiging dat God in alles is; de christelijke visie is dat God de Schepper is van alle dingen en niet zelf een onderdeel daarvan. Hij heeft weliswaar veel van zichzelf in de schepping gelegd, maar is daar ook honderd procent van onderscheiden. En een christen gelooft dat er in de schepping veel fout is gegaan en er onderscheid is tussen goed en kwaad in de wereld.
Maar hoe kan het dat God het kwaad toestond/toestaat in de wereld? Is dit niet een argument tegen het bestaan van God die goed is? Dat is het niet, want juist het erkennen van het bestaan van goed en kwaad, betekent het accepteren van een morele norm, die - zoals eerder betoogd - van God afkomstig moet zijn. Een wereld zonder God, kent geen absoluut morele norm.
Ter bespreking
- Wat spreekt je aan in dit hoofdstuk?
- Waar zet je vraagtekens bij?
- Lewis stelt dat anders dan een atheïst, een christen mag geloven dat andere religies een spoor waarheid bevatten. Is het juist dat een atheïst dit niet kan geloven? Toen ik atheist was, moest ik mezelf proberen wijs te maken dat het grootste deel van de mensheid zich altijd heeft vergist in de zaak die voor hen het belangrijkst van alles was; toen ik christen werd, kon ik het ruimer gaan zien. (p.45) Maar gelooft een christen ook niet dat aanhangers van andere religies zich in de meest belangrijke zaak voor hen vergissen? En kan een atheïst ook niet erkennen dat morele principes uit een religie een spoor van waarheid bevatten?
- In hoeverre zijn redeneringen zoals in dit hoofdstuk opbouwend voor je geloof?
2. De invasie
Het is een misvatting te denken dat godsdienst eenvoudig te begrijpen zou zijn. Alles wat je bestudeert is, ook al lijkt het soms op het eerste gezicht wel zo, beslist niet simpel (voorbeeld: het zien van een tafel, p.49). Bij het bestuderen van iets wat we in het leven tegenkomen blijken de dingen altijd ingewikkeld te zijn. Het is voor religie niet anders. Bedenk dat religie niet iets is dat God uitgevonden heeft, maar Zijn openbaring aan ons over onveranderlijke feiten over Zijn eigen aard. (p.50)
Naast ingewikkeld zit de werkelijkheid ook anders in elkaar dan wij zouden bedenken. Bijvoorbeeld te zien aan hoe het heelal dat op het oog chaotisch en onsamenhangend in elkaar zit. Omdat de werkelijkheid gecompliceerd is, kan dat ook van religie verwacht worden.
Zo zitten we met een heelal waarin veel slecht is en zonder betekenis lijkt met daarin de mensen die dat weten (p.51). Twee visies geven een mogelijke verklaring. Het antwoord vanuit het christendom dat zegt dat in de schepping die goed was een verkeerde afslag is genomen. Daarnaast geeft het dualisme als verklaring dat er twee zelfstandige goden zijn, de ene goed en de ander slecht, die in oorlog zijn met de wereld als slagveld.
Het probleem met dualisme is dat op het moment dat wij zeggen dat de ene macht goed is en de andere slecht wij impliciet zeggen dat er een hogere macht is dan deze twee die bepaald wat goed en slecht is. Als we dat onderscheid niet op basis van een onafhankelijke norm kunnen maken, vervalt het onderscheid tussen goed en kwaad en kunnen deze benamingen ook niet meer zinvol gebruikt worden.
Een andere manier van redeneren leidt tot een vergelijkbare conclusie. Dualisme bestaat bij de gedachte dat er een kwade macht is puur omdat deze macht van het kwade houdt. Nu kan dat voor het goede het geval zijn, dat iemand ervan houdt omdat het goed is, voor het kwaad zien we dat onder mensen niet. Slecht gedrag komt voort uit sadistisch genoegen in wreedheid of vanwege streven naar geld, macht en veiligheid. Zaken die op zich goed zijn, mits op de juiste manier nagestreefd. Slechtheid zit dan in het op een verkeerde manier streven naar iets dat op zichzelf niet slecht is (genot, geld, macht, veiligheid). Ofwel er moet eerst iets goeds zijn voordat slechtheid zich kan openbaren. Als slecht zit in verkeerd omgaan met wat goed is, moet eerst iets goeds ontvangen zijn, om slecht te kunnen zijn. In het dualisme moet dit goeds eerst ontvangen zijn van de goede macht om het te kunnen misbruiken. De kwade macht moet om dit kwaad in de wereld in te kunnen brengen eerst iets goeds hebben ontvangen van de goede macht; dus is de kwade macht niet een onafhankelijk wezen. Het dualisme spreekt dus zichzelf tegen. Het christelijk geloof leert dat de kwade macht een gevallen engel is die bestaat bij de gratie van degene van wie hij goede dingen heeft ontvangen of gestolen en die vervolgens in het tegendeel te doen ontaarden.
Het christelijk geloof onderschrijft met het dualisme dat er oorlog is tussen de Goede Macht en de macht van de duisternis. Het is geen oorlog tussen twee onafhnakelijke machten, maar een oorlog tussen de onafhankelijk Goede Macht en de gevallen engel die een opstand heeft ontketend en de wereld heeft bezet. Ons is de taak gegeven tot verzet tegen deze opstandige macht. Kerkgang is een belangrijke daad van verzet tegen deze indringer.
Ter bespreking
- Wat spreekt je aan in dit hoofdstuk?
- Waar zet je vraagtekens bij?
- Wat in dit hoofdstuk helpt je om je eigen geloof beter te begrijpen?
- Lewis zegt dat wie geloofsleer wil bestuderen moet accepteren dat dit niet eenvoudig is, zoals niets in de schepping eenvoudig is. Reactie van iemand: “Mijn opa was een eenvoudige melkboer en hij zei vaak: geloof mijn kind, is heel eenvoudig, maak het niet moeilijker dan het is.” Wie heeft gelijk, Lewis of deze opa?
3. Een onthutsend alternatief
Een wereld wordt beheerst door een boze macht. De vraag die nu opkomt is of de toestand waarin de mens zich bevindt naar Gods wil is. Zo ja, dan hebben wij van doen met een merkwaardige God, zo nee hoe is dat te rijmen met de almacht van God? Wat dat laatste betreft: zo vreemd is het niet dat iets gebeurt dat tegen de wil van degene die de macht heeft ingaat. Denk aan kinderen die ingaan tegen wil de van ouders of soldaten tegen de wil van een meerdere. Het punt is de vrije wil die God gegeven heeft, met de mogelijkheid deze verkeerd te gebruiken. Zonder deze zou de mens nooit echt gelukkig kunnen zijn, want echt geluk zit in vrijwillig Hem dienen. God wist wat de gevolgen van verkeerde keuzes zouden zijn en vond het dit risico blijkbaar waard. En als Hij dat zo besloot, rest ons weinig anders dan dit te accepteren.
Het probleem ligt niet in de slechte kwaliteit van de mens als schepsel van God. Juist de hoge kwaliteit maakt dat de gevolgen van verkeerde keuzes desastreus zijn. Hoe beter het materiaal waaruit een schepsel is gemaakt - hoe slimmer en sterker en vrijer een schepsel is - des te beter zal het zijn als het de goede kant opgaat maar ook des te slechter als het de verkeerde kant opgaat. Een koe kan niet heel goed of heel slecht zijn; een hond kan zowel beter als slechter zijn; een kind nog beter en nog slechter; een gewoon mens nog meer; een geniaal mens nóg meer; en een bovenmenselijke geest het best - of het slechtst - van allemaal. (p.57)
Dat de mens de kant van het kwade kiest, is vermoedelijk het gevolg van het als God willen zijn. Een keuze die geleid heeft en leidt tot alle ellende die wij in de wereld zien. Als mens zijn wij gemaakt om vanuit relatie met God te leven, buiten die relatie is het leven dat God in gedachten heeft onmogelijk. Netzomin als een benzineauto zonder benzine kan, kan een mens zonder zijn relatie met God; wat ook geprobeerd wordt, het werkt niet.
God heeft Zich vervolgens niet onbetuigd gelaten.
- Hij zorgde ervoor dat de mens zijn geweten behield om goed en kwaad te kunnen onderscheiden. Volharden in het goede doen lukt door de hele geschiedenis echter niet.
- Hij inspireerde de heidense religies met bijzondere verhalen die de kern van het evangelie bevatten, een god die nieuw leven geeft door zijn eigen dood heen (p.59).
- Hij koos het Joodse volk om licht voor de volken te zijn.
En als climax verscheen er een man onder dit volk die claimde zonden te kunnen vergeven, alsof Hij God Zelf is. Een claim niet alleen met betrekking tot zonden Hem aangedaan, maar met betrekking tot alle zonden. Ofwel de claim dat Hijzelf God in Persoon is, want wie anders kan zonden vergeven dan Degene die de wetten heeft gegeven die door zondige mensen overtreden zijn.
Dit stelt ons voor de keuze: is deze Man krankzinnig, een demon, of is Hij wie Hij zegt te zijn, de Zoon van God. Andere keuzes, zoals Hij was een goede leermeester en niet meer, zijn gezien zijn uitspraken onzinnig.
- Wat spreekt je aan in dit hoofdstuk?
- Waar zet je vraagtekens bij?
- Op p.57 schrijft Lewis dat het onmogelijk is dat een mens in een twist met God gelijk zou kunnen hebben. Hoe verhoudt zich dit tot wat we lezen dat God Zich bedacht na Mozes’ gebed, Exodus 32:9-14?
4. De volmaakte boeteling
Op basis van wat wij over Jezus weten was Hij niet krankzinnig of duivels en kunnen wij de conclusie trekken dat in Hem God in eigen Persoon onder ons verschenen is. God heeft in menselijke vorm dit bezette, vijandelijke gebied betreden. (p.61). Zijn voornaamste missie was niet Zijn onderwijs, maar Zijn lijden en sterven.
Het centrale christelijke geloofsstuk is dat we door de dood van Christus op een of andere manier in het reine zijn gekomen met God en een nieuw begin kunnen maken. (p.62). Over het hoe dat precies werkt en waarom het zo moest, bestaan verschillende theorieën, maar alle christenen zijn ervan overtuigd dat het werkt. Het is zoals met het eten van gezond voedsel, wie dat doet heeft er de voordelen van, ook wie geen (diepgaande) kennis heeft van de theorieën waarom bepaald voedsel gezond is. Waar het omgaat is We geloven dat de dood van Christus het punt in de geschiedenis is waarop in onze wereld iets absoluut onvoorstelbaars van daarbuiten doorschijnt. (p.63). En dus gaat dat ons verstand te boven. Maar zoals wij ons voordeel doen met veel dingen waarvan wij niet precies weten hoe en waarom het werkt, is het belangrijker te weten wat van ons verwacht wordt, dan om precies te weten waarom dat zo is. De boodschap waar het om draait is dat Christus voor ons ter dood werd gebracht, dat zijn dood onze zonden heeft uitgewist; en dat Hij juist door te sterven de dood heeft ontkracht. De oproep is om dat te geloven, daaruit te leven. Theorieën over hoe dat precies in zijn werk is gegaan, zijn ondergeschikt, ofschoon wel het overdenken waard.
Eén zo’n theorie is dat de mens zichzelf in grote problemen heeft gewerkt door zonder God te willen leven, zichzelf tot god gemaakt heeft. En zoals in het dagelijks leven iemand die zichzelf in de nesten heeft gewerkt hulp van buiten nodig heeft om daaruit te komen, geldt dat hier heel in het bijzonder. Dat betekent bekering, je eigenwijsheid afleggen, sterven. Om dat te kunnen doen, moet je zijn wat je nu juist niet bent: een goed mens. Zonder hulp van God is bekering een onmogelijkheid. In algemene zin kan gezegd worden dat God ons helpt door iets van Zichzelf in ons te leggen, bijvoorbeeld iets van Zijn liefde; dat kan hier echter niet zomaar, omdat er niets in Hem is dat bekering nodig heeft.
U en ik kunnen dit proces alleen ondergaan als God dat in ons doet; maar God kan het alleen als Hij mens wordt. Pogingen onzerzijds om op deze manier te sterven lukken alleen wanneer wij, mensen, deel hebben aan het sterven van God, zoals ons denken alleen lukt doordat het een druppel is uit de oceaan van zijn verstand; maar aan het sterven van God kunnen we geen deel hebben tenzij God sterft - en Hij kan niet anders sterven dan door mens te zijn. Het is in deze zin dat Hij onze schuld betaalt en voor ons een lijden ondergaat dat Hijzelf helemaal niet hoeft te ondergaan. (p.66).
Dit is een manier om naar verzoening te kijken, Hij deed - door mens te worden en Zichzelf over te geven in lijden en sterven - wat van ons verwacht wordt, maar wij niet kunnen. Let wel: dit betreft niet de kern waar het omdraait, het is een (mogelijke) verklaring voor het waarom van deze wijze van verzoening.
Ter bespreking
- Wat spreekt je aan in dit hoofdstuk?
- Waar zet je vraagtekens bij?
- Had je ooit eerder op deze manier nagedacht over wat de kern is van het christelijk geloof?
- Ben je met Lewis eens waar hij onderscheid maakt tussen weten hoe verzoening werkt en niet weten waarom verzoening op deze manier werkt?
- Kun je er vrede mee hebben niet precies te weten waarom geloof in het lijden en sterven van de Here Jezus verzoening bewerkt
5. De praktische conclusie
Wie zoals hiervoor aan de orde was, deel heeft gekregen aan het lijden van Christus, deelt ook in Zijn heerlijkheid. En dat nieuwe leven is in de gelovige aanwezig. Dit nieuwe leven van Christus in ons, wordt ons toebedeeld door de doop, het geloof en de eucharistie (avondmaal). Net zo min als de wijze waarop natuurlijk nieuw leven tot stand komt, geldt ook hier dat dit niet de uitkomst is van menselijk overleg, maar het is de manier die God Zelf zo bepaald heeft. We moeten de werkelijkheid nemen zoals we haar aantreffen; het is zinloos te kletsen over hoe ze zou moeten zijn of hoe wij gedacht hadden dat zij zou zijn. (p.69). Wij geloven dat dit zo gaat op gezag van wat Jezus leerde. En, tussen haakjes, negenennegentig procent van wat wij geloven, geloven wij op gezag van anderen; dat geldt voor vrijwel alle wetenschappen. *Iemand die op andere punten zo kopschuw voor gezag is als sommige mensen dat zijn op het punt van religie, moet voor leif nemen dat hij zijn leven nooit iets zal weten. (p.70).
Dat het Chrsitenleven tot ons komt door genoemde sacramenten, betekent niet dat het Chroistenleven geen onderhoud behoeft. Ook hier weer een overeenkomst met het natuurlijke leven, je ontvangt het en bent daarna verantwoordelijk voor het onderhoud ervan. Dat kan verkeerd gaan, je kunt een verwonding oplopen, maar het natuurlijke leven heeft herstelkracht in zich die wij ook voor een deel zelf medeactiveren. Het Christusleven in ons heeft geestelijke herstelkracht die ons na een struikeling door bekering weer op de been kan helpen.
Een christen probeert ook niet goed te doen om bij God in de gunst te komen/blijven; een christen gaat ervan uit dat het goede dat hij doet voortkomt uit het Christusleven in hem. Dit is niet een morele kracht, maar daadwerkelijke inwoning; ‘niet ik maar Christus in mij doet Zijn werk’. Hij doet Zijn werk in lichamelijke mensen, wellicht is dat waarom het Christusleven door lichamelijke sacramenten tot ons komt.
Een andere vraag die opkomt betreft degenen die nooit van Christus gehoord hebben en die, zo lijkt het, dit Christusleven onthouden wordt. Nu weten wij dat alleen Christus de weg tot God is. Wat wij niet weten is of dat alleen geldt voor wie Hem mochten leren kennen. Zeker is dat het geen argument is om bij Christus weg te blijven. Juist omdat de gelovigen samen Zijn representant (Zijn lichaam) zijn op aarde, is het beste wat je voor wie God nog niet kennen kunt doen, je als levende cel voegen in het lichaam van Christus; hoe groter het lichaam van Christus, hoe krachtiger Zijn werk zal zijn en hoe meer mensen van Hem zullen horen.
De vraag kan opkomen waarom God zo’n ingewikkelde weg heeft gekozen. Waarom komt Hij niet met een leger om de boel recht te zetten? Het antwoord is dat christenen weten dat Hij zal komen met Zijn leger, en dat Hij daarmee wacht om nog velen een kans te geven tot Hem te komen voordat Hij kom. Want Zijn komen zou het einde van de wereld betekenen. Als de auteur op het toneel verschijnt is het stuk afgelopen. (p.73). Het moment om te kunnen kiezen is dan voorbij. Dat zal niet het moment zijn om te kiezen; het is het moment waarop wij ontdekken welke kant wij gekozen hebben,of we het al hadden beseft of niet. (p.73).
Ter bespreking
- Wat spreekt je aan in dit hoofdstuk?
- Waar zet je vraagtekens bij?
- Onderschrijf je dat het Christusleven ons bereikt door doop, geloof en avondmaal (p.68-69)?
- Zijn er dingen die je anders bent gaan zien na het lezen van dit tweede deel van het boek? Of anders bent/wilt gaan doen?