Deel II Consequenties: de markt en de staat

H5 Van ‘wij’ naar ‘ik’

De verandering van ‘wij naar ’ik’ is de uitkomst van een eeuwenlange ontwikkeling in de filosofie en andere (geestes)wetenschappen naar waar wij nu staan. In zekere zin ligt de basis van dit denken in de scheppingsgeschiedenis, ieder mens - individueel dus - geschapen naar het beeld van God. Luther (1483-1546) heeft bijgedragen aan de verandering naar individualistisch denken (‘Hier sta ik, ik kan niet anders’). De kunsten droegen bij met autobiografieën en zelfportretten. Vanuit de filosofie zijn het Descartes (1596-1650; in plaats van de belijdenis dat God is de “Ik ben die Ik ben” stelt Descartes zichzelf in het middelpunt “Ik denk, dus ik besta”), Hobbes (1588-1679), Kant (1724-1804). Hoewel zowel Luther als Kant bijdroegen aan individualisering, waren ze tegenpolen. Luther geloofde dat alleen God mensen goed kan maken, Kant geloofde in autonomie van de mens en in de menselijke rede als basis voor een universele moraal. De geschiedenis bewees en bewijst zijn ongelijk. De 19e eeuw bracht twee grote denkers voort, de gelovige Kierkegaard (1813-1855)1 en de voorloper van de postmoderne wereld Nietsche (1844-1900). Kierkegaard roept op om een sprong in geloof te doen, te kiezen voor ‘wie te zijn’ in plaats van ‘wat te doen’. Hij wordt beschouwd als grondlegger van het existentialisme. Nietsche geloofde dat de menselijk natuur wordt bepaald door de honger naar macht. Degene die de onvermijdelijke strijd om de macht wint noemt hij de Übermensch. Hij neemt radicaal afstand van het christelijk geloof met zijn nadruk op opkomen voor de zwakken. In zijn denken was er geen ruimte voor absolute waarheden, slechts voor interpretaties. Nietsche en Kierkegaard stonden voor een persoonlijke subjectieve kijk op het morele leven; de keuze tussen goed en kwaad werd vervangen door een persoonlijke definitie van goed en kwaad. Dit leidde in het existentialisme tot moreel relativisme, het ontkennen van een universeel geldende moraal. Het morele gebod dat overblijft is jezelf worden en dat is voor ieder anders. Een aantal denkers voorspelden de gevolgen van wat geleerd werd. Individualisme, De Tocqueville (1805-1859) gebruikte het begrip als eerste voor wat hij zag in de Amerikaanse maatschappij. Hij concludeerde dat zit zou leiden tot het overlaten van verantwoordelijkheid voor de ander aan de overheid met als resultante verlicht despotisme van de overheid. Durkheim (1858-1917), een socioloog, meende dat het ontbreken van een gemeenschappelijke moraal zou leiden tot toename van suicide. De geschiedenis zoals wij die meemaken in de 21ste eeuw toont zijn gelijk.
We zijn in een ‘ik’-maatschappij beland. Dit heeft naast winst ook groot verlies met zich gebracht.

Citaat en conclusie

De slot alinea’s geven de conclusie(s) van dit hoofdstuk goed weer.

(vanaf p. 101, 4e alinea) Volgens mij is anomie2 een nauwkeurige omschrijving van onze dagelijkse praktijk: een wereld van relativisme. geen-oordeel-hebben, subjectiviteit, autonomie, individuele rechten en eigenwaarde. Dit lange proces heeft veel winst gebracht, maar ook groot verlies. De baanbrekende verschuiving van ‘wij’ naar ‘ik’ betekent dat alles was ooit borg stond voor de morele verbanden die ons bij elkaar hielden - geloof, religie, cultuur, traditie en conventie - dat niet langer doet. De energie die nu in het ‘ik’ geconcentreerd is, is onttrokken aan gezin, kerk en gemeenschap. Deze verbanden zijn zwak geworden. We zijn kwetsbaar en alleen.
Een individualistisch universum biedt wellicht ultieme vrijheid, maar is tevens vergeven van eenzaamheid, isolement, kwetsbaarheid, nihilisme en een intens gevoel van zinloosheid. Om met de titel van Sherry Turkles boek te spreken: we zijn alone together. Dat is de prijs voor radicaal individualisme, wat gigantisch is versneld door smartphones, social media en de teloorgang van contexten waarin we duurzame morele commitments aangaan. Alles is gericht op snelheid, prestatie, presentatie. We duiken weg achter ons profiel en worden het masker dat wij dragen.
Dat verklaart de hedendaagse paradox: we kunnen à la seconde communiceren met de andere kant van de wereld, maar vinden het moeilijk om een praatje met de buren te maken. Toch, zoals Robert Hall het verwoordt in zijn boek
The Land of Strangers: ‘De waarheid is dat relaties het waardevolst zijn, en in elke samenleving de voornaamste bron van elementen die het leven betekenis geven. Relaties zijn de reddingsvesten die ons helpen om te overleven, te groeien en floreren.’ De redacteuren van een recente verzameling studies, The Crisis of Connection, zeggen het zo: ‘In plaats van met ’wij’ zijn we alleen nog met ‘mij’, met het solitaire individu, wiens behoeften, wensen en verlangens prefaleren boven het collectief. De menselijke samenleving heeft zich ontwikkeld tot een stadium waarin de rechten van het individu, vooral het individu dat rijkdom, macht en status bezit, alle andere rechten en verantwoordelijkheden opzij schuift.
Schopenhauer vroeg: ‘Wat moeten egels in de winter?’ Als ze te dicht bij elkaar komen verwonden ze elkaar met hun stekels. Maar als ze te ver uit elkaar blijven, vriezen ze dood in de kou. Het is niet makkelijk de juiste balans te vinden, en zelfregulering bestaat niet in de mensenmaatschappij; er is geen mechanisme dat afstemt op de buitentemperatuur. Zolang de markteconomie en de liberale democratie blijven bestaan, zullen we nooit zo dicht op elkaar worden gedwongen als de mensen in de premoderne tijd, en dat willen we ook niet. Maar het kan ook niet blijven zoals het is, want de mensenwereld wordt kouder en de winden worden guurder en feller. Om sommige uitdagingen die zich nog deze eeuw zullen presenteren het hoofd te kunnen bieden, hebben we wat meer ‘wij’ en wat minder ‘ik’ nodig.

Slotopmerking Hoofdstuk 5

Dit is voor niet filosofisch geschoolden een lastig hoofdstuk met zijn vele verwijzingen naar grote denkers van de menselijke geschiedenis. De slotconclusies zoals verwoord in het slot van het hoofdstuk (zie hierboven) zijn wel duidelijk. Waar het omgaat is dat de situatie waarin wij terecht gekomen zijn zoals die in het slot beschreven wordt, niet de uitkomst is van een korte termijn revolutie maar ontstaan is uit een proces van eeuwen.

H6 Markten zonder Moraal

De transformatie van ‘wij’ naar ‘ik’ is ook zichtbaar in de economie. De vrije markteconomie heeft veel mensen welvaart gebracht. De terugtredende overheid in de jaren 1980 (Reagan in de VS, Thatcher in de UK) heeft de economie in eerste instantie goed gedaan. Met deze deregulering groeiden echter ook de inkomensverschillen. Daar waar bedrijven niet meer gericht zijn op hun maatschappelijk belang maar nog slechts op eigenbelang, vertoonden managers hetzelfde gedrag en kenden zichzelf enorme bonussen toe. Nog erger werd het toen risico nemen en risico lopen uit elkaar werden gehaald, de banken namen risico, de klanten en uiteindelijk de overheid droegen de gevolgen. Dit leidde er uiteindelijk toe dat de teruggetreden overheid moest optreden om de systeembanken overeind te houden. Ook dit is een vrucht van de teloorgang van collectivisme ten faveure van individualisme en het niet erkennen van een gemeenschappelijke universele moraal.
Adam Smith (1723-1790) geloofde al dat ondernemers handelden uit welbegrepen eigenbelang. In zijn visie resulteerde dit welbegrepen eigenbelang in een vrije markteconomie in het grootste maatschappelijke belang; het eigenbelang van de verschillende individuele partners leidt als vanzelf tot commerciële contracten en dat geeft cohesie in een maatschappij. Zoals de EEG werd opgericht om nog meer militaire conflicten in Europa te voorkomen. Wat Adam Smith en anderen in deze denkrichting nooit beweerden was dat een maatschappij kan bestaan zonder algemeen aanvaard moreel kader. En dat ontbreken daarvan is nu juist oorzaak van de bankencrisis en andere crises in de 21ste eeuw. Het grote doel van mensen en bedrijven werd winstmaximalisatie en de waarden die er echt toe doen, zoals integriteit en medemenselijkheid, raakten uit het zicht en uit het hart.

Citaat

(p. 117, laatste alinea) De markt is er voor ons; wij zijn er niet voor de markt. Economie heeft ethiek nodig. De markt overleeft niet alleen met marktkrachten. Hij kan niet zonder respect voor de mensen op wie onze beslissingen invloed hebben. Als dat wegebt verliezen we niet alleen geld en banen, maar iets wat veel substantiëler is: vrijheid, vertrouwen en fatsoen. Dit soort zaken heeft geen prijs, maar een waarde.

Opmerkingen

  1. Op p. 112 beschrijft Sacks een experiment met apen om ingebakken moreel gevoel te laten zien. Zie hier de video.

  2. Op p. 113 refereert Sacks aan De Fabel van de Bijen van Mandeville (1670-1733). Op http://weyerman.nl/wp-content/uploads/2010/12/Mandeville-en-zijn-Fabel-van-de-bijen.pdf staat deze samenvatting.

    Fabel van de Bijen
    Er was eens een florerende bijenkorf, waarvan de nijvere inwoners menselijke trekken vertonen. Wat de rijke bij zich door slinkse manipulaties verwerft, komt ten goede aan de arme in de vorm van werk en loon. Op vergelijkbare wijze garandeert de weelde van geestelijke bijen het inkomen van kwakzalvers en charlatans. Juridische bijen verdienen goed geld aan het blokkeren van de rechtsgang. Politieke bijen zorgen ervoor dat zoveel mogelijk subsidies terechtkomen in hun eigen zakken of in die van hun volgelingen. Kortom, geen enkele activiteit is moreel verantwoord, maar de bijenkorf als geheel werkt uitstekend. Ondanks, of juister gezegd dankzij het feit dat elke bezige bij zich gedraagt als een schurk. Plotseling krijgt één bij, een winkelier, de geest. Deze bevlogen middenstander begint een kruistocht tegen de corruptie en zowaar vindt zijn hervormingsgedachte weerklank. Eerlijkheid wordt mode. De prijzen zakken. Het wordt stil in de rechtbank. Medici schrijven slechts geneesmiddelen voor die echt werken. Politici creëren niet langer onnodige baantjes en houden zich voor de verandering bezig met wezenlijke zaken. Er wordt geen geld meer uitgegeven aan nutteloze militaire avonturen. De kroegen lopen leeg bij gebrek aan klandizie. De kledingsector krijgt het moeilijk, want vrouwen kleden zich eenvoudig en geven niet langer om luxe en verfraaiing. Huizen worden goedkoop, maar de bouw zakt in. Weldra zijn allerlei ondernemingen gedwongen hun werknemers te ontslaan en in korte tijd stort de hele economie in elkaar. De korf verliest door de deugdzame omwenteling een groot deel van haar bevolking en kan zich nauwelijks meer verdedigen. Het wordt een zesderangskorf.

    Conclusie op de geciteerde website:
    De moraal van dit verhaal, in de woorden van de auteur: ‘vice is beneficial’. De gemeenplaats van de deugd, volgens kerk en staat de hoeksteen van de samenleving, legt het af tegen een nieuwe en onbehaaglijke waarheid: de ondeugd zegeviert en blijkt de motor van het algemeen welzijn. De tijdgenoot, misschien zelfs de lezer van nu, wordt geconfronteerd met een buitengewoon utilitaire en pragmatische visie op het wezen van de samenleving. Een cynische visie? Het is wel een empirische, tegelijk areligieuze benadering van de werkelijkheid.

  3. Op p. 110 schrijft Sacks over de JABE (Jewish Association of Business Ethics). Een kort document met ethische richtlijnen opgesteld door deze commissie is hier te vinden.

H7 Consumindering van Geluk

(p. 118 1e alinea) Als ‘ik’ de overhand krijgt over ‘wij’, breidt de mentaliteit van de markt zich uit tot levensterreinen waar die niet hoort. Dat zien we op zijn sterkst bij het nastreven van geluk. Dat verliest langzamerhand zijn connectie met moraal en raakt geassocieerd met de producten, diensten en belevingen die voor geld te koop zijn. In zowel de Griekse als de joods-christelijke traditie was geluk intrinsiek verbonden met deugd, Het werd gezien als de vrucht van een leven dat in overeenstemming met een ethisch ideaal werd geleefd. Maar sinds de jaren 1960 heeft het zich meer en meer in bochten gewrongen van een consumptiemaatschappij die draaide om vervulling van eigen verlangens. Het gevolg is dat we minder gelukkig zijn geworden, of ten minste niet gelukkiger. Zoals Richard Layard betoogt in Happiness: Lessons from a New Science zijn de inkomens in de loop van de afgelopen honderd jaar in het Verenigd Koninkrijk en in Amerika verdubbeld, maar de mensen zijn niet gelukkiger dan toen. Als je het mij vraagt, zoeken wij op de verkeerde plek. Om maar niet te zeggen dat we op zoek zijn naar de verkeerde zaak.

Socrates associeerde geluk (εὐδαιμονία eudaemonia) met leven volgens ethische normen naast een basis van materiële voorwaarden. De bijbel associeert geluk met leven naar Gods geboden (bijv. Ps. 1: 1). Eind 17e eeuw definieerde John Locke (1632-1704) geluk in termen van persoonlijke gevoelens, een verschuiving van eudaemonia, geluk als toestand van zijn en doen, naar hedonia, geluk als toestand van emotie. Maar deze toestand werd nog steeds niet losgemaakt van wat wij doen.
Dat zoveel (jonge) mensen niet gelukkig zijn heeft te maken met de nadruk die de consumptiemaatschappij legt op wat wij niet hebben, in plaats van op wat we wel hebben. Een maatschappij gericht op het willen hebben wat de ander heeft, versterkt door trendsetters en influencers. Hoe dit escaleert blijkt bijvoorbeeld uit een modetrend van gescheurde vale broeken. Tevreden consumenten zijn slecht voor de winst van ondernemingen, marketing is erop gericht tevredenheid te voorkomen en ontevredenheid aan te wakkeren.

(p.122 2e alinea) Kortom: een consumptiemaatschappij stimuleert ons om geld dat we niet hebben uit te geven aan producten die we niet nodig hebben, op jacht naar een kick die snel voorbijgaat. De reden dat dit geluk niet duurzaam is berust op het fundamentele verschil tussen hedonistisch geluk, een voorbijgaande beleving van een plezierige sensatie, en eudaemonisch geluk, en dat is het blijvende gevoel dat voortkomt uit een goed, en betekenisvol en waardig geleefd leven. Hedonistisch geluk heeft constant nieuwe prikkels nodig. Dat verklaart het concept van een ‘hedonistische tredmolen’: als we krijgen wat we hebben willen zijn onze behoeften maar tijdelijk bevredigd. Er poppen vrijwel ogenblikkelijk nieuwe wensen op. Hoewel we materieel ongetwijfeld beter af zijn, worden we psychisch niet gelukkiger.

De markt is leidend geworden voor het geluk dat wij nastreven. En dat komt met een hoge prijs. Zo kent de markt het begrip loyaliteit niet, de drijfveer van een duurzaam huwelijk en in het algemeen van menselijke relaties. Marktdenken marginaliseert loyaliteit, zoals te zien in outsourcing naar lage lonen landen ten koste van werkloosheid in eigen land en de verantwoordelijkheid voor werknemers wordt hiermee tevens afgeschoven.
Marktdenken heeft ook de sport veranderd, het gaat niet om sportcompetitie maar om winstmaximalisatie door aan- en verkoop van spelers en televisierechten etc.
De psychische effecten van dit marktdenken op geluk vraagt om een herwaardering van de traditionele manier waarop geluk nagestreefd dient te worden. Diverse onderzoeken (p.128-130, 132-133) bevestigen dat dankbaarheid, altruïsme en een netwerk van liefdevolle relaties een betere basis voor geluk zijn dan hedonistisch marktdenken.
Prediker leert in wezen hetzelfde. Wat Prediker definieert als ijdelheid en najagen van wind zijn al de ‘ik’-dingen die hij opnoemt: Ik heb paleizen gebouwd, Ik heb tuinen aangelegd, etc. Wat hij als waardevol ziet is vreugde (17x genoemd), een ‘wij’-ervaring. Vreugde is iets wat gedeeld wordt.
De bijbel propageert een shabbateconomie, zes dagen werken één dag afzien van werk, een dag van vertragen, relaxen, rusten, genieten.

Citaat tevens Samenvatting

<p.133, 3e en 4e alinea> Met zijn focus op de tijdsdimensie is de sjabbat één manier om de markt en zijn mentaliteit te begrenzen. Er zijn er meer: waarden zoals loyaliteit die niet worden opgeofferd aan het najagen van winst; aspecten van geluk die niet voortkomen uit wat wij verdienen, bezitten of kopen, maar die ontstaan uit onze toegevoegde waarde in de levens van anderen; en dankbaarheid voor wat we hebben, in plaats van te smachten naar dingen die we niet hebben. De waarden van de markt zijn niet de enigen die tellen. Er zijn andere nodig voor persoonlijke geluk en collectief welbevinden die een goede samenleving dragen. Het huwelijk is geen transactie. Ouderschap is geen vorm van bezit. Universiteiten zijn geen intellectuele verkoopautomaten. Gezondheid is iets anders dan welvaart. Wijken moeten niet op vergulde getto’s lijken. Politiek moet geen vorm van macht zijn die te koop is.
De markt heeft zijn toepassingen en die kunnen geweldig en goed zijn, maar er zijn terreinen in het leven waar we hem op afstand moeten houden. Onze humaniteit is belangrijker dan onze rentabiliteit.

Vragen bij H7

  1. Hoe bewaak je jezelf ervoor om geluk niet te verbinden met marktdenken?
  2. Prediker 8: 15. Lees je deze tekst ook zoals Sacks die leest (zie p.131)?

H8 Democratie in de Gevarenzone

Westerse democratieën verkeren in crisis: hevige polarisatie, groot wantrouwen jegens politiek, toename populisme. De verklaring ligt voor de hand: de digitale revolutie heeft zulke ingrijpende gevolgen voor de maatschappij dat het vreemd zou zijn als een politiek model uit een totaal andere tijdsperiode niet in de problemen zou komen.
Er is een dieperliggende oorzaak. Deze gaat terug op het verschil tussen de Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring (1776) en de Franse Verklaring van Rechten van de Mens en Burger (1789). Beiden stonden aan de basis van een seculiere staat, beiden hanteerden dezelfde begrippen als ‘rechten’, maar deze begrippen worden verschillend gehanteerd.

(p 136-137) In de Amerikaanse Verklaring wordt gesteld: ‘Wij houden deze waarheden voor vanzelfsprekend, dat alle mensen gelijk geschapen zijn, dat ze door hun Schepper zijn begiftigd met zekere onvervreembare rechten, waaronder leven, vrijheid en het streven naar geluk …’
De Franse verklaring begint met: ‘Mensen zijn vrij en gelijk van rechten geboren’.

Het Amerikaanse model is een model waarbij de geregeerden vrijwillig rechten afstaan aan de overheid, ter vermijding van eindeloze conflicten, maar waarin niet alle rechten overgedragen kunnen worden. Met andere woorden er zijn rechten - leven, vrijheid, streven naar geluk - die aan de individuen zijn voorbehouden, die de overheid niet over kan en mag nemen. Het model beperkt dus de macht van de overheid.
In het Franse model behartigt de staat als collectief lichaam de belangen van haar onderdanen. Het algemeen belang, het belang van allen gezamelijk als collectief, is niet een optelsom van individuele belangen en gaat boven individuele vrijheid. Het model is niet een model van minimaal bestuur door de overheid zoals het Amerikaanse, maar van maximaal bestuur. Het is de staat die begrijpt wat dit collectief belang is.
Daar waar het Franse model twee eenheden onderscheidt, de staat en het individu, onderscheidt het Amerikaanse model er drie, de staat, privépersonen en de burgermaatschappij. Waarbij de burgermaatschappij als meest bepalend voor een gezonde democratie wordt gezien.
De Franse revolutie ziet alles wat collectief is als het domein van de politiek, het Amerikaanse model ziet een deel van het collectieve als moreel, waar het niet gaat om macht maar om geweten, plicht en deugd. De onvervreembare rechten van burgers brengen een morele verantwoordelijkheid met zich.
Het westen beweegt zich meer en meer in de richting van het Franse model. De rol van vrijwilligersorganisaties neemt af, steeds meer wordt van de staat verwacht/geeist. Rechten worden zo inderdaad claims op de staat in plaats van ruimte om zelf de maatschappij in te richten. Maar hiermee wordt de staat overvraagd. De staat kan niet voor stabiele gezinnen zorgen of echtscheidingen voorkomen.
Overvragen van de staat leidt onvermijdelijk tot teleurstellingen en frustratie met alle daarbij komende uitwassen en politiek tot de roep om sterke leiders.
De landen die de weg van het Franse model opgaan lopen het grote risico dat dit uiteindelijk het einde van de vrijheid in naam van de vrijheid betekent.

Samenvatting

Centraal in dit hoofstuk twee verschillende visies op het begrip ‘rechten’. In de ene visie - de Anglo-Amerikaanse - betekent rechten dat er gebieden zijn waar de overheid/politiek/de macht zich niet mee mag bemoeien. In de andere visie, de Franse, betekent het dat de burgers claims hebben op de politiek/staat. Hier zit een groot verschil in visie op de maatschappij en staat achter. Rechten in de eerste visie brengen grote verantwoordelijkheden mee voor de burgers, rechten in de tweede visie leidt tot verwachtingen die de staat niet waar kan maken en dit moet welhaast leiden tot beperking van de vrijheid van burgers in naam van de vrijheid.

Vragen bij H8

  1. Op p. 136-139 bespreekt Sacks het verschil tussen het Amerikaanse en het Franse revolutiemodel. Bespreek dit verschil.
  2. (p. 139 3e alinea) Rechten gaan hier (in het Franse model) niet over een terrein waarop de staat geen bemoeienis mag uitoefenen. Integendeel, ze gaan over claims op de staat die alleen met politieke actie door de staat kunnen worden bewerkstelligd. Wat bedoelt Sacks hier precies mee? Claims van wie?
  3. Herkennen wij dit veschil tussen het Amerikaanse en het Franse model ook in de Nederlandse politiek? Denk aan begrip als ‘participatiemaatschappij’, door de een gekoesterd, door de andere geassocieerd met ‘spruitjeslucht uit de jaren 1950’.

Opmerking p. 139 2e alinea; jaartallen bij het Schrikbewind zijn onjuist, moet zijn 1793-1794 (en niet 1703-1704)

H9 Identiteitspolitiek

Mensen zijn sociale wezens die zich identificeren met de groep waarbij zij (kiezen te) horen. Dat dit niet (alleen) rationeel is, is bijvoorbeeld te zien op tribunes bij sportwedstrijden.
Binnen de groep is een mens geneigd tot altruïsme, en naar andere groepen tot aggressiviteit. Pas in de recente geschiedenis speelt identiteit en identiteitspolitiek een rol in het publieke debat. Sinds de jaren 1980 identificeert links zich met gemarginaliseerde groepen (lhb, palestijnen, …), rechts met de groep witte mannen die zich niet gehoord weten in het publieke debat.
Identiteitspolitiek bedreigd de liberale democratie vanwege polariserend effect, zie de ontwikkelingen in de belangrijkste westers democratieën.
Nu is identiteitspolitiek niet alleen iets van de laatste decennia, het manifesteerde zich in de geschiedenis in oorlogen tussen landen en na de reformatie in strijd tussen groepen waarvan de identiteit op religie gebaseerd werd. De oplossing van dergelijke conflicten werd gezocht in afschaffing van identiteit ten faveure van universaliteit. Zo ontstond in de 18e eeuw de tijd van de rede en de utopie van een wereld zonder identiteiten en een universele moraal gebaseerd op ‘handel alleen volgens de regels waarvan je zou willen dat het universele regels zijn’. Het was het principe van de wereld voor Babel. Een utopische visie, en niet houdbaar. In de 19e eeuw kwam de reactie in de vorm van de romantiek en de aandacht voor het belang van niet-rationele krachten voor het mens zijn. Terugkeer naar identiteit op basis van religie zou terugkeer naar ongewenste toestand betekenen. Religie werd gesubstitueerd door natie, ras en klasse.
Natie. Nationalisme als ideologie is pas in de 19e eeuw opgekomen als gevolg van ontwikkelingen in de maatschappij. Over welke ontwikkelingen dit betreft bestaan verschillende theorieën: de industriële revolutie, de revolutie in de informatietechnologie (nationale kranten), nieuwe maatschappelijke structuren (minder tribaal). Zo kregen de ideeën over wat een natie is in de loop van de tijd meer vorm.
Ras. Vanuit andere wetenschappelijke disciplines - betreffende ouderdom van de kosmos, evolutieleer en ‘primitieve’ beschavingen - werd een ‘wetenschappelijke’ rassenleer ontwikkeld. Onderscheid tussen mensen op basis van ras, te bepalen op basis van lichamelijke kenmerken, leidde tot een nationalisme waarbij de natie gedefinieerd werd op basis van ras. In het Nazirijk culmineerde/ontspoorde dit in de leer van de suprematie van het arische ras. Levensgevaarlijke ontwikkeling.
Klasse. Het marxisme beschreef de dynamiek in de maatschappij op basis van klasse en eigendom van productiemiddelen. Marx beloofde een nieuwe economische orde waarin de rijken de armen niet langer onderdrukken. Opnieuw een utopie.
De drie stromingen gaven op eigen wijze inhoud aan ‘identiteit’, niet langer een leer van universalisme, maar van identiteit gebaseerd op basis van natie, ras of klasse. Niet wat verenigt staat centraal, maar wat scheidt. Het nationalisme leidde tot de wereldoorlogen in de 20ste eeuw, racisme was de basis voor de holocaust, het communisme in zowel Rusland als China was gebaseerd op marxistische klasseleer. De oplossingen leidden tot een 100 miljoen dodelijke slachtoffers.
Vanaf de jaren 1960 wordt identiteit, geïnspireerd door de 19e eeuwers Kierkegaard en Nietsche, ingevuld vanuit individualisme. De invulling die hieraan gegeven werd leidde tot de (sexuele) revolutie van de jaren 1960. De autonomie van het individu werd gepreekt, binnen tien jaar wezen anderen erop dat een individu niet zonder groepsidentiteit kan leven. Deze ‘communitarians’ wezen erop dat wij vanuit liberaal oogpunt weliswaar zelf mogen kiezen tot welke groepen wij willen behoren, maar dat wij als sociale wezens niet zonder groepsverbanden kunnen.
Gelijktijdig kwam, door demografische ontwikkelingen, de idee van een multiculturele samenleving op, waarin ieder zijn eigen cultuur koestert en alle culturen gelijkwaardig zijn, definitie multiculturalisme. Een idee dat in de praktijk niet werkt, het benadrukt juist de verschillen en leidt tot segregatie in plaats van integratie.
Het liberale individualisme en het multiculturalisme zijn gedoemd te mislukken. In plaats van de ander te willen begrijpen leidt het tot uitsluiting, tot bouwen van muren in plaats van bruggen.
Een signaal dat de westerse wereld in crisis verkeerd is het opkomend antisemitisme. Een maatschappij waarin een zondebok wordt gezocht, heeft een probleem.

Citaat tevens Samenvatting

(p. 157 2e alinea) Identiteitspolitiek is dus het nieuwste hoofdstuk in de lange westerse geschiedenis vanaf de reformatie tot vandaag. Het begon in de achttiende eeuw met de verlichting als ontsnappingsroute uit specifieke identiteiten naar een universeel humanisme. Dit leidde in de negentiende eeuw tot de contraverlichting in de vormen van nationalisme, racisme en marxisme. In de jaren 1960 leidde een vlucht uit groepsidentiteiten naar individualisme, en sinds de jaren 1980 is er een tegenreactie in aanvankelijk de vorm van multiculturalisme, daarna in identiteispolitiek.
Er is een alternatief voor deze extremen, of zou er moeten zijn. Daarin ligt de focus meer op de samenleving dan op de staat. De samenleving gaat over onze gedeelde morele normen en waarden. De staat gaat over het nastreven en toepassen van macht. Het gevecht om erkenning en het recht op anders-zijn behoren bij een rechtvaardige en betrokken samenleving; niet bij de liberaal-democratische staat.

Opmerkingen

  1. p. 153, 2e alinea; onduidelijk wat bedoeld wordt vanaf de zin ‘Sommigen, zoals Theodor Adorno, …’ .
  2. Lastig hoofdstuk.

Ter bespreking

  1. Lees met elkaar p. 157 vanaf 2e alinea tot en met p. 158. Bespreek wat Sacks hier schrijft. Ben je het met Sacks eens in deze analyse?

H10 Tijd en Langetermijnconsequenties

Er is een tijd geweest dat gedacht werd dat uit historische data precies te voorspellen is hoe de toekomst eruit ziet. Inmiddels weten wij dat dit anders is, de chaostheorie (beter: theorie van dynamische systemen) leert dat miniscule veranderingen kunnen leiden tot grote gevolgen binnen eindige tijd. Dit verklaart bijvoorbeeld waarom weersvoorspellingen een beperkte tijdsduur kennen.
Punt waar het in dit hoofdstuk om gaat is, dat bij veranderingen niet alleen nagedacht moet worden over effect op korte termijn maar dat ook heel goed nagedacht moet worden over effecten op langere termijn. Dit geldt in onze omgang met milieu. Het geldt ook op gebied van moraal. De jaren 1960 brachten een verandering van moraal mee. Wij-denken werd ingeruild voor ik-denken. In plaats van belang van een gedeelde collectieve moraal, verwerd moraal tot ‘ik kan doen wat ik wil, mits ik anderen daarmee niet (teveel) belemmer’. De gevolgen blijken desastreus en zijn bijvoorbeeld goed te zien in toename drugsgebruik en de verwoesting van levens die daarmee samenhangen. Een directrice van een kliniek voor drugsverslaafden verklaarde het succes van haar aanpak op twee gehanteerde uitgangspunten: (1) onvoorwaardelijke liefde/acceptatie en (2) nee zeggen. Het is voor de ontwikkeling van ieder mens belangrijk ‘nee’ te horen en ‘nee’ te kunnen accepteren.
Het is voor een maatschappij belangrijk ‘nee’ te zeggen tegen zaken die aantrekkelijk zijn, maar waarvan de effecten op termijn schadelijk zijn.

Opmerking

Sacks legt verband tussen drugsgebruik en toename psychische problemen. Ongetwijfeld terecht. Om een causaal verband aan te tonen is meer nodig dan het vergelijken van twee trends; toename drugsgebruik en toename psychische stoornissen. Zie voor leuke voorbeelden http://www.tylervigen.com/spurious-correlations.

Vragen

  1. Herken je door Sacks beschreven trends in dit hoofdstuk?
  2. Hoe ben je zelf beïnvloed door de revolutie van de jaren 1960?
  3. Effecten van keuzes op langere termijn zijn vaak niet in te schatten. Hoe kun je daar dan rekening meehouden bij te maken keuzes? HOe kan de politiek daar rekening meehouden?