1.1 De leraar als held

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

DEU

1

5

בְּעֵבֶר הַיַּרְדֵּן בְּאֶרֶץ מוֹאָ֑ב הוֹאִיל מֹשֶׁה בֵּאֵר אֶת הַתּוֹרָה הַזֹּאת לֵאמֹֽר׃

Aan deze zijde van de Jordaan, in het land van Moab, hief Mozes aan, deze wet uit te leggen, zeggende:

In de laatste maand van zijn leven maakt Mozes nog een carrière-switch. Hij wordt leraar die de wet begon uit te leggen en staat als zodanig in het Jodendom bekend: Mozes onze leraar - Moshe Rabenoe. Meer dan om al het andere wat hij gedaan heeft, staat hij zo bekend. Hij realiseerde zich, dat als hij niet meer bij het volk kon zijn, hij toch met hun mee kon gaan door het onderwijs dat hij meegegeven heeft.
En niet alleen dat, in zijn onderwijs heeft hij het belang van onderwijs voor de volgende generaties benadrukt en zo opgeroepen om een volk van leraren te zijn. Zie onderstaande teksten uit de toespraken van Mozes.

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

DEU

4

9

רַק הִשָּׁמֶר לְךָ וּשְׁמֹר נַפְשְׁךָ מְאֹד פֶּן תִּשְׁכַּח אֶת הַדְּבָרִים אֲשֶׁר רָאוּ עֵינֶיךָ וּפֶן יָסוּרוּ מִלְּבָבְךָ כֹּל יְמֵי חַיֶּ֑יךָ וְהוֹדַעְתָּם לְבָנֶיךָ וְלִבְנֵי בָנֶֽיךָ׃

Alleenlijk wacht u, en bewaart uw ziel wel, dat gij niet vergeet de dingen, die uw ogen gezien hebben; en dat zij niet van uw hart wijken, al de dagen uws levens; en gij zult ze aan uw kinderen en uw kindskinderen bekend maken.

DEU

4

10

יוֹם אֲשֶׁר עָמַדְתָּ לִפְנֵי יְהוָה אֱלֹהֶיךָ בְּחֹרֵב֒ בֶּאֱמֹר יְהוָה אֵלַי הַקְהֶל לִי אֶת הָעָם וְאַשְׁמִעֵם אֶת דְּבָרָ֑י אֲשֶׁר יִלְמְדוּן לְיִרְאָה אֹתִי כָּל הַיָּמִים אֲשֶׁר הֵם חַיִּים עַל הָאֲדָמָה וְאֶת בְּנֵיהֶם יְלַמֵּדֽוּן׃

Ten dage, als gij voor het aangezicht des Heeren, uws Gods, aan Horeb stondt, als de Heere tot mij zeide: Vergader Mij dit volk, en Ik zal hun Mijn woorden doen horen, die zij zullen leren, om Mij te vrezen al de dagen, die zij op den aardbodem zullen leven, en zij zullen ze hun kinderen leren;

DEU

6

7

וְשִׁנַּנְתָּם לְבָנֶיךָ וְדִבַּרְתָּ בָּ֑ם בְּשִׁבְתְּךָ בְּבֵיתֶךָ וּבְלֶכְתְּךָ בַדֶּרֶךְ וּֽבְשָׁכְבְּךָ וּבְקוּמֶֽךָ׃

En gij zult ze uw kinderen inscherpen, en daarvan spreken, als gij in uw huis zit, en als gij op den weg gaat, en als gij nederligt, en als gij opstaat.

DEU

6

20

כִּֽי יִשְׁאָלְךָ בִנְךָ מָחָר לֵאמֹ֑ר מָה הָעֵדֹת וְהַֽחֻקִּים וְהַמִּשְׁפָּטִים אֲשֶׁר צִוָּה יְהוָה אֱלֹהֵינוּ אֶתְכֶֽם׃

Wanneer uw zoon u morgen zal vragen, zeggende: Wat zijn dat voor getuigenissen, en inzettingen, en rechten, die de Heere, onze God, ulieden geboden heeft?

DEU

6

21

וְאָמַרְתָּ לְבִנְךָ עֲבָדִים הָיִינוּ לְפַרְעֹה בְּמִצְרָ֑יִם וַיּוֹצִיאֵנוּ יְהוָה מִמִּצְרַיִם בְּיָד חֲזָקָֽה׃

Zo zult gij tot uw zoon zeggen: Wij waren dienstknechten van Farao in Egypte; maar de Heere heeft ons door een sterke hand uit Egypte uitgevoerd.

DEU

11

19

וְלִמַּדְתֶּם אֹתָם אֶת בְּנֵיכֶם לְדַבֵּר בָּ֑ם בְּשִׁבְתְּךָ בְּבֵיתֶךָ וּבְלֶכְתְּךָ בַדֶּרֶךְ וּֽבְשָׁכְבְּךָ וּבְקוּמֶֽךָ׃

En leert die uw kinderen, sprekende daarvan, als gij in uw huis zit, en als gij op den weg gaat, en als gij nederligt, en als gij opstaat;

DEU

31

12

הַקְהֵל אֶת הָעָם הָֽאֲנָשִׁים וְהַנָּשִׁים וְהַטַּף וְגֵרְךָ אֲשֶׁר בִּשְׁעָרֶ֑יךָ לְמַעַן יִשְׁמְעוּ וּלְמַעַן יִלְמְדוּ וְיָֽרְאוּ אֶת יְהוָה אֱלֹֽהֵיכֶם וְשָֽׁמְרוּ לַעֲשׂוֹת אֶת כָּל דִּבְרֵי הַתּוֹרָה הַזֹּֽאת׃

Vergadert het volk, de mannen, en de vrouwen, en de kinderen, en uw vreemdelingen, die in uw poorten zijn; opdat zij horen, en opdat zij leren, en vrezen den Heere, uw God, en waarnemen te doen alle woorden dezer wet.

DEU

31

13

וּבְנֵיהֶם אֲשֶׁר לֹֽא יָדְעוּ יִשְׁמְעוּ וְלָמְדוּ לְיִרְאָה אֶת יְהוָה אֱלֹהֵיכֶ֑ם כָּל הַיָּמִים אֲשֶׁר אַתֶּם חַיִּים עַל הָאֲדָמָה אֲשֶׁר אַתֶּם עֹבְרִים אֶת הַיַּרְדֵּן שָׁמָּה לְרִשְׁתָּֽהּ׃פ

En dat hun kinderen, die het niet geweten hebben, horen en leren, om te vrezen den Heere, uw God, al de dagen, die gij leeft op het land, naar hetwelk gij over de Jordaan zijt heengaande, om dat te erven.

Het werkwoord lamad (לָמַד) komt voor het eerst voor in Deuteronomium en wel 17 keer (zie onderaan een overzicht van deze teksten in dit bijbelboek).
Zo heeft Mozes van zijn volk een volk van leraren gemaakt: Hij maakte het tot een volk van het boek en tot de natie die geen ziggoerats of piramides bouwde maar scholen en leerhuizen (p.34)

Ter bespreking

  1. Vragen/opmerkingen?
  2. Herken je het belang van onderwijs zoals Sacks dat beschrijft?
  3. Welke rol speelt het onderwijs dat jezelf meegekregen hebt in je (geloofs)leven?

Bijlage: teksten met werkwoord lamad in Deuteronomium

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

DEU

4

1

וְעַתָּה יִשְׂרָאֵל שְׁמַע אֶל הַֽחֻקִּים וְאֶל הַמִּשְׁפָּטִים אֲשֶׁר אָֽנֹכִי מְלַמֵּד אֶתְכֶם לַעֲשׂ֑וֹת לְמַעַן תִּֽחְיוּ וּבָאתֶם וִֽירִשְׁתֶּם אֶת הָאָרֶץ אֲשֶׁר יְהוָה אֱלֹהֵי אֲבֹתֵיכֶם נֹתֵן לָכֶֽם׃

Nu dan, Israël! hoor naar de inzettingen en naar de rechten, die ik ulieden lere te doen; opdat gij leeft, en henen inkomt, en erft het land, dat de Heere, uwer vaderen God, u geeft.

DEU

4

5

רְאֵה לִמַּדְתִּי אֶתְכֶם חֻקִּים וּמִשְׁפָּטִים כַּאֲשֶׁר צִוַּנִי יְהוָה אֱלֹהָ֑י לַעֲשׂוֹת כֵּן בְּקֶרֶב הָאָרֶץ אֲשֶׁר אַתֶּם בָּאִים שָׁמָּה לְרִשְׁתָּֽהּ׃

Ziet, ik heb u geleerd de inzettingen en rechten, gelijk als de Heere, mijn God, mij geboden heeft; opdat gij alzo doet in het midden des lands, waar gij naar toe gaat, om het te erven.

DEU

4

10

יוֹם אֲשֶׁר עָמַדְתָּ לִפְנֵי יְהוָה אֱלֹהֶיךָ בְּחֹרֵב֒ בֶּאֱמֹר יְהוָה אֵלַי הַקְהֶל לִי אֶת הָעָם וְאַשְׁמִעֵם אֶת דְּבָרָ֑י אֲשֶׁר יִלְמְדוּן לְיִרְאָה אֹתִי כָּל הַיָּמִים אֲשֶׁר הֵם חַיִּים עַל הָאֲדָמָה וְאֶת בְּנֵיהֶם יְלַמֵּדֽוּן׃

Ten dage, als gij voor het aangezicht des Heeren, uws Gods, aan Horeb stondt, als de Heere tot mij zeide: Vergader Mij dit volk, en Ik zal hun Mijn woorden doen horen, die zij zullen leren, om Mij te vrezen al de dagen, die zij op den aardbodem zullen leven, en zij zullen ze hun kinderen leren;

DEU

4

10

יוֹם אֲשֶׁר עָמַדְתָּ לִפְנֵי יְהוָה אֱלֹהֶיךָ בְּחֹרֵב֒ בֶּאֱמֹר יְהוָה אֵלַי הַקְהֶל לִי אֶת הָעָם וְאַשְׁמִעֵם אֶת דְּבָרָ֑י אֲשֶׁר יִלְמְדוּן לְיִרְאָה אֹתִי כָּל הַיָּמִים אֲשֶׁר הֵם חַיִּים עַל הָאֲדָמָה וְאֶת בְּנֵיהֶם יְלַמֵּדֽוּן׃

Ten dage, als gij voor het aangezicht des Heeren, uws Gods, aan Horeb stondt, als de Heere tot mij zeide: Vergader Mij dit volk, en Ik zal hun Mijn woorden doen horen, die zij zullen leren, om Mij te vrezen al de dagen, die zij op den aardbodem zullen leven, en zij zullen ze hun kinderen leren;

DEU

4

14

וְאֹתִי צִוָּה יְהוָה בָּעֵת הַהִוא לְלַמֵּד אֶתְכֶם חֻקִּים וּמִשְׁפָּטִ֑ים לַעֲשֹׂתְכֶם אֹתָם בָּאָרֶץ אֲשֶׁר אַתֶּם עֹבְרִים שָׁמָּה לְרִשְׁתָּֽהּ׃

Ook gebood mij de Heere ter zelver tijd, dat ik u inzettingen en rechten leren zou; opdat gij die deedt in dat land, naar hetwelk gij doortrekt, om dat te erven.

DEU

5

1

וַיִּקְרָא מֹשֶׁה אֶל כָּל יִשְׂרָאֵל֒ וַיֹּאמֶר אֲלֵהֶם שְׁמַע יִשְׂרָאֵל אֶת הַחֻקִּים וְאֶת הַמִּשְׁפָּטִים אֲשֶׁר אָנֹכִי דֹּבֵר בְּאָזְנֵיכֶם הַיּ֑וֹם וּלְמַדְתֶּם אֹתָם וּשְׁמַרְתֶּם לַעֲשֹׂתָֽם׃

En Mozes riep het ganse Israël, en zeide tot hen: Hoor, Israël! de inzettingen en rechten, die ik heden voor uw oren spreek, dat gij ze leert en waarneemt, om dezelve te doen.

DEU

5

31

וְאַתָּה פֹּה עֲמֹד עִמָּדִי֒ וַאֲדַבְּרָה אֵלֶיךָ אֵת כָּל הַמִּצְוָה וְהַחֻקִּים וְהַמִּשְׁפָּטִים אֲשֶׁר תְּלַמְּדֵ֑ם וְעָשׂוּ בָאָרֶץ אֲשֶׁר אָנֹכִי נֹתֵן לָהֶם לְרִשְׁתָּֽהּ׃

Maar gij, sta hier bij Mij, dat Ik tot u spreke al de geboden, en inzettingen, en rechten, die gij hun leren zult, dat zij ze doen in het land, hetwelk Ik hun geven zal, om dat te erven.

DEU

6

1

וְזֹאת הַמִּצְוָה הַֽחֻקִּים וְהַמִּשְׁפָּטִים אֲשֶׁר צִוָּה יְהוָה אֱלֹהֵיכֶם לְלַמֵּד אֶתְכֶ֑ם לַעֲשׂוֹת בָּאָרֶץ אֲשֶׁר אַתֶּם עֹבְרִים שָׁמָּה לְרִשְׁתָּֽהּ׃

Dit zijn dan de geboden, de inzettingen en de rechten, die de Heere, uw God, geboden heeft om u te leren; opdat gij ze doet in het land, naar hetwelk gij heentrekt, om dat erfelijk te bezitten;

DEU

11

19

וְלִמַּדְתֶּם אֹתָם אֶת בְּנֵיכֶם לְדַבֵּר בָּ֑ם בְּשִׁבְתְּךָ בְּבֵיתֶךָ וּבְלֶכְתְּךָ בַדֶּרֶךְ וּֽבְשָׁכְבְּךָ וּבְקוּמֶֽךָ׃

En leert die uw kinderen, sprekende daarvan, als gij in uw huis zit, en als gij op den weg gaat, en als gij nederligt, en als gij opstaat;

DEU

14

23

וְאָכַלְתָּ לִפְנֵי יְהוָה אֱלֹהֶיךָ בַּמָּקוֹם אֲשֶׁר יִבְחַר לְשַׁכֵּן שְׁמוֹ שָׁם֒ מַעְשַׂר דְּגָֽנְךָ תִּֽירֹשְׁךָ וְיִצְהָרֶךָ וּבְכֹרֹת בְּקָרְךָ וְצֹאנֶ֑ךָ לְמַעַן תִּלְמַד לְיִרְאָה אֶת יְהוָה אֱלֹהֶיךָ כָּל הַיָּמִֽים׃

En voor het aangezicht des Heeren, uws Gods, ter plaatse, die Hij verkiezen zal, om Zijn Naam aldaar te doen wonen, zult gij eten de tienden van uw koren, van uw most, en van uw olie, en de eerstgeboorten uwer runderen en uwer schapen; opdat gij den Heere, uw God, leert vrezen alle dagen.

DEU

17

19

וְהָיְתָה עִמּוֹ וְקָרָא בוֹ כָּל יְמֵי חַיָּ֑יו לְמַעַן יִלְמַד לְיִרְאָה אֶת יְהוָה אֱלֹהָיו לִשְׁמֹר אֶֽת כָּל דִּבְרֵי הַתּוֹרָה הַזֹּאת וְאֶת הַחֻקִּים הָאֵלֶּה לַעֲשֹׂתָֽם׃

En het zal bij hem zijn, en hij zal daarin lezen al de dagen zijns levens; opdat hij den Heere, zijn God, lere vrezen, om te bewaren al de woorden dezer wet en deze inzettingen, om die te doen;

DEU

18

9

כִּי אַתָּה בָּא אֶל הָאָרֶץ אֲשֶׁר יְהוָה אֱלֹהֶיךָ נֹתֵן לָ֑ךְ לֹֽא תִלְמַד לַעֲשׂוֹת כְּתוֹעֲבֹת הַגּוֹיִם הָהֵֽם׃

Wanneer gij komt in het land, dat de Heere, uw God, u geven zal, zo zult gij niet leren te doen naar de gruwelen van dezelve volken.

DEU

20

18

לְמַעַן אֲשֶׁר לֹֽא יְלַמְּדוּ אֶתְכֶם לַעֲשׂוֹת כְּכֹל תּֽוֹעֲבֹתָם אֲשֶׁר עָשׂוּ לֵֽאלֹהֵיהֶ֑ם וַחֲטָאתֶם לַיהוָה אֱלֹהֵיכֶֽם׃ס

Opdat zij ulieden niet leren te doen naar al hun gruwelen, die zij hun goden gedaan hebben, en gij zondigt tegen den Heere, uw God.

DEU

31

12

הַקְהֵל אֶת הָעָם הָֽאֲנָשִׁים וְהַנָּשִׁים וְהַטַּף וְגֵרְךָ אֲשֶׁר בִּשְׁעָרֶ֑יךָ לְמַעַן יִשְׁמְעוּ וּלְמַעַן יִלְמְדוּ וְיָֽרְאוּ אֶת יְהוָה אֱלֹֽהֵיכֶם וְשָֽׁמְרוּ לַעֲשׂוֹת אֶת כָּל דִּבְרֵי הַתּוֹרָה הַזֹּֽאת׃

Vergadert het volk, de mannen, en de vrouwen, en de kinderen, en uw vreemdelingen, die in uw poorten zijn; opdat zij horen, en opdat zij leren, en vrezen den Heere, uw God, en waarnemen te doen alle woorden dezer wet.

DEU

31

13

וּבְנֵיהֶם אֲשֶׁר לֹֽא יָדְעוּ יִשְׁמְעוּ וְלָמְדוּ לְיִרְאָה אֶת יְהוָה אֱלֹהֵיכֶ֑ם כָּל הַיָּמִים אֲשֶׁר אַתֶּם חַיִּים עַל הָאֲדָמָה אֲשֶׁר אַתֶּם עֹבְרִים אֶת הַיַּרְדֵּן שָׁמָּה לְרִשְׁתָּֽהּ׃פ

En dat hun kinderen, die het niet geweten hebben, horen en leren, om te vrezen den Heere, uw God, al de dagen, die gij leeft op het land, naar hetwelk gij over de Jordaan zijt heengaande, om dat te erven.

DEU

31

19

וְעַתָּה כִּתְבוּ לָכֶם אֶת הַשִּׁירָה הַזֹּאת וְלַמְּדָהּ אֶת בְּנֵי יִשְׂרָאֵל שִׂימָהּ בְּפִיהֶ֑ם לְמַעַן תִּהְיֶה לִּי הַשִּׁירָה הַזֹּאת לְעֵד בִּבְנֵי יִשְׂרָאֵֽל׃

En nu, schrijft ulieden dit lied, en leert het den kinderen Israëls; legt het in hun mond; opdat dit lied Mij ten getuige zij tegen de kinderen Israëls.

DEU

31

22

וַיִּכְתֹּב מֹשֶׁה אֶת הַשִּׁירָה הַזֹּאת בַּיּוֹם הַה֑וּא וַֽיְלַמְּדָהּ אֶת בְּנֵי יִשְׂרָאֵֽל׃

Zo schreef Mozes dit lied te dien dage, en hij leerde het den kinderen Israëls.