5.4 Ongemakkelijk ligt het hoofd dat een kroon draagt

Naast de opvatting van de grote Joodse commentatoren (zie vorige essay) wordt in een Midrash (Devarim Rabba 5:8) het aanstellen van een koning onomwonden afgekeurd. In de bespreking, waar ook de stemmen aan het woord komen die het aanstellen als een positief gebod zien, wordt met voorbeelden onderbouwd wat de daden van de koning negatief uitwerkten voor de onderdanen. Deze negatieve opvatting over het koningschap is na de uitdrukking van de boekdrukkunst, toen de bijbel en de Joodse geschriften voor christen hebraïsten beschikbaar werden, door deze hebraïsten overgenomen en heeft aan de basis gestaan van de revoluties in het VK en in Amerika. Daar was de grondslag van de vrije samenleving die men op wilde bouwen, de instemming van het volk over wie hen regeren zou. Een principe dat afgeleid werd uit Deut.7:14-15 dat als het volk om een koning vraagt daarin toegesemd moet worden. Met andere woorden, regeren gebeurt met instemming van de geregeerden.
Ook geen onbelangijk principe dat werd overgenomen van Israel: de koning heeft geen wetgevende bevoegdheden, maar is zelf onderworpen aan de wet.

Ter bespreking

  1. Vragen/opmerkingen?
  2. Welke staatsvorm komt in de huidige tijd het dichtst bij de inrichting van een vrije samenleving zoals in dit hoofdstuk beschreven?
  3. Hoe een democratie te beschermen egen een meerderheid die voor een dictator kiest (of voor een op sharia gebaseerde samenleving)?