BOEK | HFD | VS | WLC | SV |
|---|---|---|---|---|
GEN | 18 | 17 | וַֽיהֹוָה אָמָ֑ר הַֽמְכַסֶּה אֲנִי מֵֽאַבְרָהָם אֲשֶׁר אֲנִי עֹשֶֽׂה׃ | En de Heere zeide: Zal Ik voor Abraham verbergen, wat Ik doe? |
GEN | 18 | 18 | וְאַבְרָהָם הָיוֹ יִֽהְיֶה לְגוֹי גָּדוֹל וְעָצ֑וּם וְנִבְרְכוּ בוֹ כֹּל גּוֹיֵי הָאָֽרֶץ׃ | Dewijl Abraham gewisselijk tot een groot en machtig volk worden zal, en alle volken der aarde in hem gezegend zullen worden? |
GEN | 18 | 19 | כִּי יְדַעְתִּיו לְמַעַן אֲשֶׁר יְצַוֶּה אֶת בָּנָיו וְאֶת בֵּיתוֹ אַחֲרָיו וְשָֽׁמְרוּ דֶּרֶךְ יְהוָה לַעֲשׂוֹת צְדָקָה וּמִשְׁפָּ֑ט לְמַעַן הָבִיא יְהוָה עַל אַבְרָהָם אֵת אֲשֶׁר דִּבֶּר עָלָֽיו׃ | Want Ik heb hem gekend, opdat hij zijn kinderen en zijn huis na hem zoude bevelen, en zij den weg des Heeren houden, om te doen gerechtigheid en gerichte; opdat de Heere over Abraham brenge hetgeen Hij over hem gesproken heeft. |
4.3 De onvertaalbare deugd
In Genesis 18:17-19 vallen de woorden ‘rechtvaardig’ (tsedaka) en ‘recht’ (misjpat) als de kenmerken van wat het betekent de weg van de HERE te gaan. Daar waar ‘misjpat’ het recht volgens de wet betreft, ziet ‘tsedaka’ op verdelende rechtvaardigheid (p.124). Alleen wettelijk recht is geen garantie dat er geen armoede voorkomt in een maatschappij, wetgeving voorkomt dat niet. De Tora noemt daarom ook Tsedaka als richtinggevend voor een maatschappij naar Gods wil. Hoe dat gestalte krijgt is afhankelijk van de soort maatschappij. De maatschappij in het beloofde land zou een landbouwmaatschappij zijn; Tsedaka vertaalt zich dan naar vrijlating van Joodse slaven na 7 jaar, kwijtschelding van schulden in het zevende jaar, geen nalezing bij binnenhalen van de oogst etc. Dit betreft niet door de staat opgelegde wetgeving zoals in een moderne verzorgingsstaat, maar betreft het functioneren van mensen in gemeenschappen. In niet agrarische samenlevingen krijgt tsedaka op andere wijze gestalte, het blijft dezelfde kenmerken dragen van verdelende rechtvaardigheid.
Tsedaka is een uniek woord uit de Joodse theologie dat kenmerkend hoort te zijn voor een samenleving, in andere talen is er geen begrip dat hetzelfde uitdrukt. Delen vanuit overvloed aan mensen in nood is` in deze visie geen liefdad vanuit gezichtspunt van tsedaka geen liefdadigheid, maar onderdeel van omgaan met wat God ons in beheer heeft gegeven. God kennen is rechtvaardig en met mededogen handelen. Zijn beeld in andere mensen herkennnen en de stille kreet van mensen in nood horen (pp.127).
Ter bespreking
- Vragen/opmerkingen?
- Wat is nieuw voor je in wat Sacks schrijft over Tsedaka als verdelende rechtvaardigheid?
- De verzorgingsstaat zoals die in de twintigste eeuw gestalte kreeg maakt Tsedaka onderdeel van handelen van de staat. Een wezenlijk verschil (zie p.124-125).
- Wat is het wezenlijke verschil?
- Kan een staat een verzorgingsstaat opleggen of is dat gedoemd vast te lopen?
- Is het functioneren van tsedaka op basis van individuen in gemeenschappen een realistisch of vooral een utopisch ideaal?
Bijlage
Teksten in Deuteronomium waarin woord voorkomt afgeleid van ts-d-k (צדק).
BOEK | HFD | VS | WLC | SV |
|---|---|---|---|---|
DEU | 1 | 16 | וָאֲצַוֶּה אֶת שֹׁפְטֵיכֶם בָּעֵת הַהִוא לֵאמֹ֑ר שָׁמֹעַ בֵּין אֲחֵיכֶם וּשְׁפַטְתֶּם צֶדֶק בֵּֽין אִישׁ וּבֵין אָחִיו וּבֵין גֵּרֽוֹ׃ | En ik gebood uw rechters ter zelfder tijd, zeggende: Hoort de verschillen tussen uw broederen, en richt recht tussen den man en tussen zijn broeder, en tussen deszelfs vreemdeling. |
DEU | 4 | 8 | וּמִי גּוֹי גָּדוֹל אֲשֶׁר לוֹ חֻקִּים וּמִשְׁפָּטִים צַדִּיקִ֑ם כְּכֹל הַתּוֹרָה הַזֹּאת אֲשֶׁר אָנֹכִי נֹתֵן לִפְנֵיכֶם הַיּֽוֹם׃ | En wat groot volk is er, dat zo rechtvaardige inzettingen en rechten heeft, als deze ganse wet is, die ik heden voor uw aangezicht geef? |
DEU | 6 | 25 | וּצְדָקָה תִּֽהְיֶה לָּ֑נוּ כִּֽי נִשְׁמֹר לַעֲשׂוֹת אֶת כָּל הַמִּצְוָה הַזֹּאת לִפְנֵי יְהוָה אֱלֹהֵינוּ כַּאֲשֶׁר צִוָּֽנוּ׃ס | En het zal ons gerechtigheid zijn, als wij zullen waarnemen te doen al deze geboden, voor het aangezicht des Heeren, onzes Gods, gelijk Hij ons geboden heeft. |
DEU | 9 | 4 | אַל תֹּאמַר בִּלְבָבְךָ בַּהֲדֹף יְהוָה אֱלֹהֶיךָ אֹתָם מִלְּפָנֶיךָ לֵאמֹר֒ בְּצִדְקָתִי הֱבִיאַנִי יְהוָה לָרֶשֶׁת אֶת הָאָרֶץ הַזֹּ֑את וּבְרִשְׁעַת הַגּוֹיִם הָאֵלֶּה יְהוָה מוֹרִישָׁם מִפָּנֶֽיךָ׃ | Wanneer hen nu de Heere, uw God, voor uw aangezicht zal hebben uitgestoten, zo spreek niet in uw hart, zeggende: De Heere heeft mij om mijn gerechtigheid ingebracht, om dit land te erven; want, om de goddeloosheid dezer volken, verdrijft hen de Heere voor uw aangezicht uit de bezitting. |
DEU | 9 | 5 | לֹא בְצִדְקָתְךָ וּבְיֹשֶׁר לְבָבְךָ אַתָּה בָא לָרֶשֶׁת אֶת אַרְצָ֑ם כִּי בְּרִשְׁעַת הַגּוֹיִם הָאֵלֶּה יְהוָה אֱלֹהֶיךָ מוֹרִישָׁם מִפָּנֶיךָ וּלְמַעַן הָקִים אֶת הַדָּבָר אֲשֶׁר נִשְׁבַּע יְהוָה לַאֲבֹתֶיךָ לְאַבְרָהָם לְיִצְחָק וּֽלְיַעֲקֹֽב׃ | Niet om uw gerechtigheid, noch om de oprechtheid uws harten, komt gij er henen in, om hun land te erven; maar om de goddeloosheid dezer volken, verdrijft hen de Heere, uw God, voor uw aangezicht uit de bezitting: en om het woord te bevestigen, dat de Heere, uw God, aan uw vaderen, Abraham, Izak en Jakob, gezworen heeft. |
DEU | 9 | 6 | וְיָדַעְתָּ כִּי לֹא בְצִדְקָֽתְךָ יְהוָה אֱלֹהֶיךָ נֹתֵן לְךָ אֶת הָאָרֶץ הַטּוֹבָה הַזֹּאת לְרִשְׁתָּ֑הּ כִּי עַם קְשֵׁה עֹרֶף אָֽתָּה׃ | Weet dan, dat u de Heere, uw God, niet om uw gerechtigheid, ditzelve goede land geeft, om dat te erven; want gij zijt een hardnekkig volk. |
DEU | 16 | 18 | שֹׁפְטִים וְשֹֽׁטְרִים תִּֽתֶּן לְךָ בְּכָל שְׁעָרֶיךָ אֲשֶׁר יְהוָה אֱלֹהֶיךָ נֹתֵן לְךָ לִשְׁבָטֶ֑יךָ וְשָׁפְטוּ אֶת הָעָם מִשְׁפַּט צֶֽדֶק׃ | Rechters en ambtlieden zult gij u stellen in al uw poorten, die de Heere, uw God, u geven zal, onder uw stammen; dat zij het volk richten met een gericht der gerechtigheid. |
DEU | 16 | 19 | לֹא תַטֶּה מִשְׁפָּט לֹא תַכִּיר פָּנִ֑ים וְלֹא תִקַּח שֹׁחַד כִּי הַשֹּׁחַד יְעַוֵּר עֵינֵי חֲכָמִים וִֽיסַלֵּף דִּבְרֵי צַדִּיקִֽם׃ | Gij zult het gericht niet buigen; gij zult het aangezicht niet kennen; ook zult gij geen geschenk nemen; want het geschenk verblindt de ogen der wijzen, en verkeert de woorden der rechtvaardigen. |
DEU | 16 | 20 | צֶדֶק צֶדֶק תִּרְדֹּ֑ף לְמַעַן תִּֽחְיֶה וְיָרַשְׁתָּ אֶת הָאָרֶץ אֲשֶׁר יְהוָה אֱלֹהֶיךָ נֹתֵן לָֽךְ׃ס | Gerechtigheid, gerechtigheid zult gij najagen; opdat gij leeft, en erfelijk bezit het land, dat u de Heere, uw God, geven zal. |
DEU | 24 | 13 | הָשֵׁב תָּשִׁיב לוֹ אֶֽת הַעֲבוֹט כְּבֹא הַשֶּׁמֶשׁ וְשָׁכַב בְּשַׂלְמָתוֹ וּבֵֽרֲכֶ֑ךָּ וּלְךָ תִּהְיֶה צְדָקָה לִפְנֵי יְהוָה אֱלֹהֶֽיךָ׃ס | Gij zult hem dat pand zekerlijk wedergeven, als de zon ondergaat, dat hij in zijn kleed nederligge, en u zegene; en het zal u gerechtigheid zijn voor het aangezicht des Heeren, uws Gods. |
DEU | 25 | 1 | כִּֽי יִהְיֶה רִיב בֵּין אֲנָשִׁים וְנִגְּשׁוּ אֶל הַמִּשְׁפָּט וּשְׁפָט֑וּם וְהִצְדִּיקוּ אֶת הַצַּדִּיק וְהִרְשִׁיעוּ אֶת הָרָשָֽׁע׃ | Wanneer er tussen lieden twist zal zijn, en zij tot het gerecht zullen toetreden, dat zij hen richten, zo zullen zij den rechtvaardige rechtvaardig spreken, en den onrechtvaardige verdoemen. |
DEU | 25 | 15 | אֶבֶן שְׁלֵמָה וָצֶדֶק יִֽהְיֶה לָּךְ אֵיפָה שְׁלֵמָה וָצֶדֶק יִֽהְיֶה לָּ֑ךְ לְמַעַן יַאֲרִיכוּ יָמֶיךָ עַל הָֽאֲדָמָה אֲשֶׁר יְהוָה אֱלֹהֶיךָ נֹתֵן לָֽךְ׃ | Gij zult een volkomen en gerechten weegsteen hebben; gij zult een volkomene en gerechte efa hebben; opdat uw dagen verlengd worden in het land, dat u de Heere, uw God, geven zal. |
DEU | 32 | 4 | הַצּוּר תָּמִים פָּעֳלוֹ כִּי כָל דְּרָכָיו מִשְׁפָּ֑ט אֵל אֱמוּנָה וְאֵין עָוֶל צַדִּיק וְיָשָׁר הֽוּא׃ | Hij is de Rotssteen, Wiens werk volkomen is; want al Zijn wegen zijn gerichte. God is waarheid, en is geen onrecht; rechtvaardig en recht is Hij. |
DEU | 33 | 19 | עַמִּים הַר יִקְרָאוּ שָׁם יִזְבְּחוּ זִבְחֵי צֶ֑דֶק כִּי שֶׁפַע יַמִּים יִינָקוּ וּשְׂפוּנֵי טְמוּנֵי חֽוֹל׃ס | Zij zullen de volken tot den berg roepen; daar zullen zij offeranden der gerechtigheid offeren; want zij zullen den overvloed der zeeën zuigen, en de bedekte verborgen dingen des zands. |
DEU | 33 | 21 | וַיַּרְא רֵאשִׁית לוֹ כִּי שָׁם חֶלְקַת מְחֹקֵק סָפ֑וּן וַיֵּתֵא רָאשֵׁי עָם צִדְקַת יְהוָה עָשָׂה וּמִשְׁפָּטָיו עִם יִשְׂרָאֵֽל׃ס | En hij heeft zich van het eerste voorzien, omdat hij aldaar in het deel des wetgevers bedekt was; daarom kwam hij met de hoofden des volks; hij verrichtte de gerechtigheid des Heeren, en zijn gerichten met Israël. |