1.4 Tsedek: rechtvaardigheid verzacht door mededogen

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

DEU

1

16

וָאֲצַוֶּה אֶת שֹׁפְטֵיכֶם בָּעֵת הַהִוא לֵאמֹ֑ר שָׁמֹעַ בֵּין אֲחֵיכֶם וּשְׁפַטְתֶּם צֶדֶק בֵּֽין אִישׁ וּבֵין אָחִיו וּבֵין גֵּרֽוֹ׃

En ik gebood uw rechters ter zelfder tijd, zeggende: Hoort de verschillen tussen uw broederen, en richt recht tussen den man en tussen zijn broeder, en tussen deszelfs vreemdeling.

DEU

1

17

לֹֽא תַכִּירוּ פָנִים בַּמִּשְׁפָּט כַּקָּטֹן כַּגָּדֹל תִּשְׁמָעוּן לֹא תָגוּרוּ מִפְּנֵי אִישׁ כִּי הַמִּשְׁפָּט לֵאלֹהִים ה֑וּא וְהַדָּבָר אֲשֶׁר יִקְשֶׁה מִכֶּם תַּקְרִבוּן אֵלַי וּשְׁמַעְתִּֽיו׃

Gij zult het aangezicht in het gericht niet kennen; gij zult den kleine, zowel als den grote, horen; gij zult niet vrezen voor iemands aangezicht; want het gericht is Godes; doch de zaak, die voor u te zwaar zal zijn, zult gij tot mij doen komen, en ik zal ze horen.

DEU

16

20

צֶדֶק צֶדֶק תִּרְדֹּ֑ף לְמַעַן תִּֽחְיֶה וְיָרַשְׁתָּ אֶת הָאָרֶץ אֲשֶׁר יְהוָה אֱלֹהֶיךָ נֹתֵן לָֽךְ׃ס

Gerechtigheid, gerechtigheid zult gij najagen; opdat gij leeft, en erfelijk bezit het land, dat u de Heere, uw God, geven zal.

In bovenstaande verzen valt het woord ‘recht’ (‘rechtvaardig’) (צֶדֶק). Een kernbegrip in het boek Deuteronomium (zie bijlage 1). Het woord en daaraan verwante woorden komen in Genesis (15x) en in Deuteronomium (18x) voor, en veel minder in Exodus (4x) en Leviticus (5x); in Numeri komt het begrip niet voor.
Het belang van het begrip wordt al duidelijk in Genesis 18 als God rechtvaardig handelen en recht doen als reden van de uitverkiezing van Abraham noemt.

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

GEN

18

19

כִּי יְדַעְתִּיו לְמַעַן אֲשֶׁר יְצַוֶּה אֶת בָּנָיו וְאֶת בֵּיתוֹ אַחֲרָיו וְשָֽׁמְרוּ דֶּרֶךְ יְהוָה לַעֲשׂוֹת צְדָקָה וּמִשְׁפָּ֑ט לְמַעַן הָבִיא יְהוָה עַל אַבְרָהָם אֵת אֲשֶׁר דִּבֶּר עָלָֽיו׃

Want Ik heb hem gekend, opdat hij zijn kinderen en zijn huis na hem zoude bevelen, en zij den weg des Heeren houden, om te doen gerechtigheid en gerichte; opdat de Heere over Abraham brenge hetgeen Hij over hem gesproken heeft.

Vertalen van het begrip is moeilijk, er is in feite geen Nederlands equivalent. Het begrip houdt namelijk meer is dan volgens de wettelijke regels handelen, nooit mag voorbijgegaan worden aan erbarmen. Het recht kan voorschrijven dat je van iemand een onderpand mag vragen, als dat een onmisbaar goed is voor de schuldenaar, dan wordt dat recht beperkt (zie bijv. Deut.24:12-13). Een goede omschrijving van tsedaqa is wat juist en fatsoenlijk is om te doen (p.48). Het gaat om doen wat moreel juist is, niet om eenvoudigweg de regels volgen. Het is een misverstand genade en rechtvaardigheid (tsedaqa) als tegengestelden te zien. En het is een misverstand de gerechtigheid volgens de wet uit te spelen tegen de genade volgens het evangelie.

Citaat (p.50). Het jodendom is een religie van liefde: Heb de HEER, uw God, lief; heb je naaste lief als jezelf; heb de vreemdeling lief, want jullie zijn zelf vreemdelingen geweest. Maar het is ook een religie van rechtvaardigheid, want zonder rechtvaardigheid corrumpeert de liefde (wie zou, als hij dat kon, de regels niet buigen om zijn geliefden te begunstigen?). Het is ook een religie van mededogen, want zonder mededogen kan de wet zelf tot oneerlijkheid leiden. Rechtvaardigheid plus mededogen is gelijk aan tsedek, de eerste voorwaarde voor een fatsoenlijke samenleving.

Ter bespreking

  1. Vragen/opmerkingen?
  2. Ben je opgegroeid met het idee van tegenstelling tussen wet en evangelie of is die gedachte je vreemd? Hoe sta je daar nu in?
  3. Als er geen tegenstelling is tussen wet en evangelie, wat is dan het nieuwe van het nieuwe verbond?
  4. Als er wel een tegenstelling is tussen wet en evangelie, waar openbaart die tegenstelling zich dan?
  5. Een link naar de actualiteit. Israel is bezig de daders van 7 okotober op te sporen en te liquideren, zoals dat ook gedaan is in het verleden met de daders van de aanslag bij de olympische spelen in München. Wat vind je daarvan? Is dat rechtvaardig in bijbelse zin zoals in dit hoofdstuk besproken?

Bijlage 1

Tabel 1
Overzicht aantal keer dat tsedeq of verwant woord in Tora voorkomt

BOEK

LEMMA

TRANSCRIPTIE

BETEKENIS

N

GEN

צַדִּיק

Tsadiq

rechtvaardig

10

GEN

צָדַק

Tsadaq

rechtvaardigen

2

GEN

צְדָקָה

Tsedaqa

rechtvaardigheid

3

EXO

צַדִּיק

Tsadiq

rechtvaardig

3

EXO

צָדַק

Tsadaq

rechtvaardigen

1

LEV

צֶ֫דֶק

Tsedeq

rechtvaardigheid

5

DEU

צַדִּיק

Tsadiq

rechtvaardig

4

DEU

צָדַק

Tsadaq

rechtvaardigen

1

DEU

צֶ֫דֶק

Tsedeq

rechtvaardigheid

7

DEU

צְדָקָה

Tsedaqa

rechtvaardigheid

6

Bijlage 2: teksten met Tsedeq of aanverwant begrip in Tora

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

GEN

6

9

אֵלֶּה תּוֹלְדֹת נֹחַ נֹחַ אִישׁ צַדִּיק תָּמִים הָיָה בְּדֹֽרֹתָ֑יו אֶת הָֽאֱלֹהִים הִֽתְהַלֶּךְ נֹֽחַ׃

Dit zijn de geboorten van Noach. Noach was een rechtvaardig, oprecht man in zijn geslachten. Noach wandelde met God.

GEN

7

1

וַיֹּאמֶר יְהוָה לְנֹחַ בֹּֽא אַתָּה וְכָל בֵּיתְךָ אֶל הַתֵּבָ֑ה כִּֽי אֹתְךָ רָאִיתִי צַדִּיק לְפָנַי בַּדּוֹר הַזֶּֽה׃

Daarna zeide de Heere tot Noach: Ga gij, en uw ganse huis in de ark; want u heb Ik gezien rechtvaardig voor Mijn aangezicht in dit geslacht.

GEN

15

6

וְהֶאֱמִן בַּֽיהוָ֑ה וַיַּחְשְׁבֶהָ לּוֹ צְדָקָֽה׃

En hij geloofde in den Heere; en Hij rekende het hem tot gerechtigheid.

GEN

18

19

כִּי יְדַעְתִּיו לְמַעַן אֲשֶׁר יְצַוֶּה אֶת בָּנָיו וְאֶת בֵּיתוֹ אַחֲרָיו וְשָֽׁמְרוּ דֶּרֶךְ יְהוָה לַעֲשׂוֹת צְדָקָה וּמִשְׁפָּ֑ט לְמַעַן הָבִיא יְהוָה עַל אַבְרָהָם אֵת אֲשֶׁר דִּבֶּר עָלָֽיו׃

Want Ik heb hem gekend, opdat hij zijn kinderen en zijn huis na hem zoude bevelen, en zij den weg des Heeren houden, om te doen gerechtigheid en gerichte; opdat de Heere over Abraham brenge hetgeen Hij over hem gesproken heeft.

GEN

18

23

וַיִּגַּשׁ אַבְרָהָם וַיֹּאמַ֑ר הַאַף תִּסְפֶּה צַדִּיק עִם רָשָֽׁע׃

En Abraham trad toe, en zeide: Zult Gij ook den rechtvaardige met den goddeloze ombrengen?

GEN

18

24

אוּלַי יֵשׁ חֲמִשִּׁים צַדִּיקִם בְּתוֹךְ הָעִ֑יר הַאַף תִּסְפֶּה וְלֹא תִשָּׂא לַמָּקוֹם לְמַעַן חֲמִשִּׁים הַצַּדִּיקִם אֲשֶׁר בְּקִרְבָּֽהּ׃

Misschien zijn er vijftig rechtvaardigen in de stad; zult Gij hen ook ombrengen, en de plaats niet sparen, om de vijftig rechtvaardigen, die binnen haar zijn?

GEN

18

24

אוּלַי יֵשׁ חֲמִשִּׁים צַדִּיקִם בְּתוֹךְ הָעִ֑יר הַאַף תִּסְפֶּה וְלֹא תִשָּׂא לַמָּקוֹם לְמַעַן חֲמִשִּׁים הַצַּדִּיקִם אֲשֶׁר בְּקִרְבָּֽהּ׃

Misschien zijn er vijftig rechtvaardigen in de stad; zult Gij hen ook ombrengen, en de plaats niet sparen, om de vijftig rechtvaardigen, die binnen haar zijn?

GEN

18

25

חָלִלָה לְּךָ מֵעֲשֹׂת כַּדָּבָר הַזֶּה לְהָמִית צַדִּיק עִם רָשָׁע וְהָיָה כַצַּדִּיק כָּרָשָׁ֑ע חָלִלָה לָּךְ הֲשֹׁפֵט כָּל הָאָרֶץ לֹא יַעֲשֶׂה מִשְׁפָּֽט׃

Het zij verre van U, zulk een ding te doen, te doden den rechtvaardige met den goddeloze! dat de rechtvaardige zij gelijk de goddeloze, verre zij het van U! zou de Rechter der ganse aarde geen recht doen?

GEN

18

25

חָלִלָה לְּךָ מֵעֲשֹׂת כַּדָּבָר הַזֶּה לְהָמִית צַדִּיק עִם רָשָׁע וְהָיָה כַצַּדִּיק כָּרָשָׁ֑ע חָלִלָה לָּךְ הֲשֹׁפֵט כָּל הָאָרֶץ לֹא יַעֲשֶׂה מִשְׁפָּֽט׃

Het zij verre van U, zulk een ding te doen, te doden den rechtvaardige met den goddeloze! dat de rechtvaardige zij gelijk de goddeloze, verre zij het van U! zou de Rechter der ganse aarde geen recht doen?

GEN

18

26

וַיֹּאמֶר יְהוָה אִם אֶמְצָא בִסְדֹם חֲמִשִּׁים צַדִּיקִם בְּתוֹךְ הָעִ֑יר וְנָשָׂאתִי לְכָל הַמָּקוֹם בַּעֲבוּרָֽם׃

Toen zeide de Heere: Zo Ik te Sodom binnen de stad vijftig rechtvaardigen zal vinden, zo zal Ik de ganse plaats sparen om hunnentwil.

GEN

18

28

אוּלַי יַחְסְרוּן חֲמִשִּׁים הַצַּדִּיקִם חֲמִשָּׁה הֲתַשְׁחִית בַּחֲמִשָּׁה אֶת כָּל הָעִ֑יר וַיֹּאמֶר לֹא אַשְׁחִית אִם אֶמְצָא שָׁם אַרְבָּעִים וַחֲמִשָּֽׁה׃

Misschien zullen aan de vijftig rechtvaardigen vijf ontbreken; zult Gij dan om vijf de ganse stad verderven? En Hij zeide: Ik zal haar niet verderven, zo Ik er vijf en veertig zal vinden.

GEN

20

4

וַאֲבִימֶלֶךְ לֹא קָרַב אֵלֶ֑יהָ וַיֹּאמַר אֲדֹנָי הֲגוֹי גַּם צַדִּיק תַּהֲרֹֽג׃

Doch Abimelech was tot haar niet genaderd; daarom zeide hij: Heere! zult Gij dan ook een rechtvaardig volk doden?

GEN

30

33

וְעָֽנְתָה בִּי צִדְקָתִי בְּיוֹם מָחָר כִּֽי תָבוֹא עַל שְׂכָרִי לְפָנֶ֑יךָ כֹּל אֲשֶׁר אֵינֶנּוּ נָקֹד וְטָלוּא בָּֽעִזִּים וְחוּם בַּכְּשָׂבִים גָּנוּב הוּא אִתִּֽי׃

Zo zal mijn gerechtigheid op den dag van morgen met mij betuigen, als gij komen zult over mijn loon, voor uw aangezicht; al wat niet gespikkeld en geplekt is onder de geiten en bruin onder de lammeren, dat zij bij mij gestolen.

GEN

38

26

וַיַּכֵּר יְהוּדָה וַיֹּאמֶר צָֽדְקָה מִמֶּנִּי כִּֽי עַל כֵּן לֹא נְתַתִּיהָ לְשֵׁלָה בְנִ֑י וְלֹֽא יָסַף עוֹד לְדַעְתָּֽה׃

En Juda kende ze, en zeide: Zij is rechtvaardiger dan ik, daarom, omdat ik haar aan mijn zoon Sela niet gegeven heb. En hij bekende haar voortaan niet meer.

GEN

44

16

וַיֹּאמֶר יְהוּדָה מַה נֹּאמַר לַֽאדֹנִי מַה נְּדַבֵּר וּמַה נִּצְטַדָּ֑ק הָאֱלֹהִים מָצָא אֶת עֲוֺן עֲבָדֶיךָ הִנֶּנּוּ עֲבָדִים לַֽאדֹנִי גַּם אֲנַחְנוּ גַּם אֲשֶׁר נִמְצָא הַגָּבִיעַ בְּיָדֽוֹ׃

Toen zeide Juda: Wat zullen wij tot mijn heer zeggen, wat zullen wij spreken, en wat zullen wij ons rechtvaardigen? God heeft de ongerechtigheid uwer knechten gevonden; zie, wij zijn mijns heren slaven, zo wij, als hij, in wiens hand de beker gevonden is.

EXO

9

27

וַיִּשְׁלַח פַּרְעֹה וַיִּקְרָא לְמֹשֶׁה וּֽלְאַהֲרֹן וַיֹּאמֶר אֲלֵהֶם חָטָאתִי הַפָּ֑עַם יְהוָה הַצַּדִּיק וַאֲנִי וְעַמִּי הָרְשָׁעִֽים׃

Toen schikte Farao heen, en hij riep Mozes en Aäron, en zeide tot hen: Ik heb mij ditmaal verzondigd; de Heere is rechtvaardig; ik daarentegen en mijn volk zijn goddelozen!

EXO

23

7

מִדְּבַר שֶׁקֶר תִּרְחָ֑ק וְנָקִי וְצַדִּיק אַֽל תַּהֲרֹג כִּי לֹא אַצְדִּיק רָשָֽׁע׃

Zijt verre van valse zaken; en den onschuldige en gerechtige zult gij niet doden; want Ik zal den goddeloze niet rechtvaardigen.

EXO

23

7

מִדְּבַר שֶׁקֶר תִּרְחָ֑ק וְנָקִי וְצַדִּיק אַֽל תַּהֲרֹג כִּי לֹא אַצְדִּיק רָשָֽׁע׃

Zijt verre van valse zaken; en den onschuldige en gerechtige zult gij niet doden; want Ik zal den goddeloze niet rechtvaardigen.

EXO

23

8

וְשֹׁחַד לֹא תִקָּ֑ח כִּי הַשֹּׁחַד יְעַוֵּר פִּקְחִים וִֽיסַלֵּף דִּבְרֵי צַדִּיקִֽים׃

Ook zult gij geen geschenk nemen; want het geschenk verblindt de zienden, en het verkeert de zaak der rechtvaardigen.

LEV

19

15

לֹא תַעֲשׂוּ עָוֶל בַּמִּשְׁפָּט לֹא תִשָּׂא פְנֵי דָל וְלֹא תֶהְדַּר פְּנֵי גָד֑וֹל בְּצֶדֶק תִּשְׁפֹּט עֲמִיתֶֽךָ׃

Gij zult geen onrecht doen in het gericht; gij zult het aangezicht des geringen niet aannemen, noch het aangezicht des groten voortrekken; in gerechtigheid zult gij uw naaste richten.

LEV

19

36

מֹאזְנֵי צֶדֶק אַבְנֵי צֶדֶק אֵיפַת צֶדֶק וְהִין צֶדֶק יִהְיֶה לָכֶ֑ם אֲנִי יְהוָה אֱלֹֽהֵיכֶם אֲשֶׁר הוֹצֵאתִי אֶתְכֶם מֵאֶרֶץ מִצְרָֽיִם׃

Gij zult een rechte wage hebben, rechte weegstenen, een rechte efa, en een rechte hin; Ik ben de Heere, uw God, die u uit Egypteland uitgevoerd heb!

LEV

19

36

מֹאזְנֵי צֶדֶק אַבְנֵי צֶדֶק אֵיפַת צֶדֶק וְהִין צֶדֶק יִהְיֶה לָכֶ֑ם אֲנִי יְהוָה אֱלֹֽהֵיכֶם אֲשֶׁר הוֹצֵאתִי אֶתְכֶם מֵאֶרֶץ מִצְרָֽיִם׃

Gij zult een rechte wage hebben, rechte weegstenen, een rechte efa, en een rechte hin; Ik ben de Heere, uw God, die u uit Egypteland uitgevoerd heb!

LEV

19

36

מֹאזְנֵי צֶדֶק אַבְנֵי צֶדֶק אֵיפַת צֶדֶק וְהִין צֶדֶק יִהְיֶה לָכֶ֑ם אֲנִי יְהוָה אֱלֹֽהֵיכֶם אֲשֶׁר הוֹצֵאתִי אֶתְכֶם מֵאֶרֶץ מִצְרָֽיִם׃

Gij zult een rechte wage hebben, rechte weegstenen, een rechte efa, en een rechte hin; Ik ben de Heere, uw God, die u uit Egypteland uitgevoerd heb!

LEV

19

36

מֹאזְנֵי צֶדֶק אַבְנֵי צֶדֶק אֵיפַת צֶדֶק וְהִין צֶדֶק יִהְיֶה לָכֶ֑ם אֲנִי יְהוָה אֱלֹֽהֵיכֶם אֲשֶׁר הוֹצֵאתִי אֶתְכֶם מֵאֶרֶץ מִצְרָֽיִם׃

Gij zult een rechte wage hebben, rechte weegstenen, een rechte efa, en een rechte hin; Ik ben de Heere, uw God, die u uit Egypteland uitgevoerd heb!

DEU

1

16

וָאֲצַוֶּה אֶת שֹׁפְטֵיכֶם בָּעֵת הַהִוא לֵאמֹ֑ר שָׁמֹעַ בֵּין אֲחֵיכֶם וּשְׁפַטְתֶּם צֶדֶק בֵּֽין אִישׁ וּבֵין אָחִיו וּבֵין גֵּרֽוֹ׃

En ik gebood uw rechters ter zelfder tijd, zeggende: Hoort de verschillen tussen uw broederen, en richt recht tussen den man en tussen zijn broeder, en tussen deszelfs vreemdeling.

DEU

4

8

וּמִי גּוֹי גָּדוֹל אֲשֶׁר לוֹ חֻקִּים וּמִשְׁפָּטִים צַדִּיקִ֑ם כְּכֹל הַתּוֹרָה הַזֹּאת אֲשֶׁר אָנֹכִי נֹתֵן לִפְנֵיכֶם הַיּֽוֹם׃

En wat groot volk is er, dat zo rechtvaardige inzettingen en rechten heeft, als deze ganse wet is, die ik heden voor uw aangezicht geef?

DEU

6

25

וּצְדָקָה תִּֽהְיֶה לָּ֑נוּ כִּֽי נִשְׁמֹר לַעֲשׂוֹת אֶת כָּל הַמִּצְוָה הַזֹּאת לִפְנֵי יְהוָה אֱלֹהֵינוּ כַּאֲשֶׁר צִוָּֽנוּ׃ס

En het zal ons gerechtigheid zijn, als wij zullen waarnemen te doen al deze geboden, voor het aangezicht des Heeren, onzes Gods, gelijk Hij ons geboden heeft.

DEU

9

4

אַל תֹּאמַר בִּלְבָבְךָ בַּהֲדֹף יְהוָה אֱלֹהֶיךָ אֹתָם מִלְּפָנֶיךָ לֵאמֹר֒ בְּצִדְקָתִי הֱבִיאַנִי יְהוָה לָרֶשֶׁת אֶת הָאָרֶץ הַזֹּ֑את וּבְרִשְׁעַת הַגּוֹיִם הָאֵלֶּה יְהוָה מוֹרִישָׁם מִפָּנֶֽיךָ׃

Wanneer hen nu de Heere, uw God, voor uw aangezicht zal hebben uitgestoten, zo spreek niet in uw hart, zeggende: De Heere heeft mij om mijn gerechtigheid ingebracht, om dit land te erven; want, om de goddeloosheid dezer volken, verdrijft hen de Heere voor uw aangezicht uit de bezitting.

DEU

9

5

לֹא בְצִדְקָתְךָ וּבְיֹשֶׁר לְבָבְךָ אַתָּה בָא לָרֶשֶׁת אֶת אַרְצָ֑ם כִּי בְּרִשְׁעַת הַגּוֹיִם הָאֵלֶּה יְהוָה אֱלֹהֶיךָ מוֹרִישָׁם מִפָּנֶיךָ וּלְמַעַן הָקִים אֶת הַדָּבָר אֲשֶׁר נִשְׁבַּע יְהוָה לַאֲבֹתֶיךָ לְאַבְרָהָם לְיִצְחָק וּֽלְיַעֲקֹֽב׃

Niet om uw gerechtigheid, noch om de oprechtheid uws harten, komt gij er henen in, om hun land te erven; maar om de goddeloosheid dezer volken, verdrijft hen de Heere, uw God, voor uw aangezicht uit de bezitting: en om het woord te bevestigen, dat de Heere, uw God, aan uw vaderen, Abraham, Izak en Jakob, gezworen heeft.

DEU

9

6

וְיָדַעְתָּ כִּי לֹא בְצִדְקָֽתְךָ יְהוָה אֱלֹהֶיךָ נֹתֵן לְךָ אֶת הָאָרֶץ הַטּוֹבָה הַזֹּאת לְרִשְׁתָּ֑הּ כִּי עַם קְשֵׁה עֹרֶף אָֽתָּה׃

Weet dan, dat u de Heere, uw God, niet om uw gerechtigheid, ditzelve goede land geeft, om dat te erven; want gij zijt een hardnekkig volk.

DEU

16

18

שֹׁפְטִים וְשֹֽׁטְרִים תִּֽתֶּן לְךָ בְּכָל שְׁעָרֶיךָ אֲשֶׁר יְהוָה אֱלֹהֶיךָ נֹתֵן לְךָ לִשְׁבָטֶ֑יךָ וְשָׁפְטוּ אֶת הָעָם מִשְׁפַּט צֶֽדֶק׃

Rechters en ambtlieden zult gij u stellen in al uw poorten, die de Heere, uw God, u geven zal, onder uw stammen; dat zij het volk richten met een gericht der gerechtigheid.

DEU

16

19

לֹא תַטֶּה מִשְׁפָּט לֹא תַכִּיר פָּנִ֑ים וְלֹא תִקַּח שֹׁחַד כִּי הַשֹּׁחַד יְעַוֵּר עֵינֵי חֲכָמִים וִֽיסַלֵּף דִּבְרֵי צַדִּיקִֽם׃

Gij zult het gericht niet buigen; gij zult het aangezicht niet kennen; ook zult gij geen geschenk nemen; want het geschenk verblindt de ogen der wijzen, en verkeert de woorden der rechtvaardigen.

DEU

16

20

צֶדֶק צֶדֶק תִּרְדֹּ֑ף לְמַעַן תִּֽחְיֶה וְיָרַשְׁתָּ אֶת הָאָרֶץ אֲשֶׁר יְהוָה אֱלֹהֶיךָ נֹתֵן לָֽךְ׃ס

Gerechtigheid, gerechtigheid zult gij najagen; opdat gij leeft, en erfelijk bezit het land, dat u de Heere, uw God, geven zal.

DEU

16

20

צֶדֶק צֶדֶק תִּרְדֹּ֑ף לְמַעַן תִּֽחְיֶה וְיָרַשְׁתָּ אֶת הָאָרֶץ אֲשֶׁר יְהוָה אֱלֹהֶיךָ נֹתֵן לָֽךְ׃ס

Gerechtigheid, gerechtigheid zult gij najagen; opdat gij leeft, en erfelijk bezit het land, dat u de Heere, uw God, geven zal.

DEU

24

13

הָשֵׁב תָּשִׁיב לוֹ אֶֽת הַעֲבוֹט כְּבֹא הַשֶּׁמֶשׁ וְשָׁכַב בְּשַׂלְמָתוֹ וּבֵֽרֲכֶ֑ךָּ וּלְךָ תִּהְיֶה צְדָקָה לִפְנֵי יְהוָה אֱלֹהֶֽיךָ׃ס

Gij zult hem dat pand zekerlijk wedergeven, als de zon ondergaat, dat hij in zijn kleed nederligge, en u zegene; en het zal u gerechtigheid zijn voor het aangezicht des Heeren, uws Gods.

DEU

25

1

כִּֽי יִהְיֶה רִיב בֵּין אֲנָשִׁים וְנִגְּשׁוּ אֶל הַמִּשְׁפָּט וּשְׁפָט֑וּם וְהִצְדִּיקוּ אֶת הַצַּדִּיק וְהִרְשִׁיעוּ אֶת הָרָשָֽׁע׃

Wanneer er tussen lieden twist zal zijn, en zij tot het gerecht zullen toetreden, dat zij hen richten, zo zullen zij den rechtvaardige rechtvaardig spreken, en den onrechtvaardige verdoemen.

DEU

25

1

כִּֽי יִהְיֶה רִיב בֵּין אֲנָשִׁים וְנִגְּשׁוּ אֶל הַמִּשְׁפָּט וּשְׁפָט֑וּם וְהִצְדִּיקוּ אֶת הַצַּדִּיק וְהִרְשִׁיעוּ אֶת הָרָשָֽׁע׃

Wanneer er tussen lieden twist zal zijn, en zij tot het gerecht zullen toetreden, dat zij hen richten, zo zullen zij den rechtvaardige rechtvaardig spreken, en den onrechtvaardige verdoemen.

DEU

25

15

אֶבֶן שְׁלֵמָה וָצֶדֶק יִֽהְיֶה לָּךְ אֵיפָה שְׁלֵמָה וָצֶדֶק יִֽהְיֶה לָּ֑ךְ לְמַעַן יַאֲרִיכוּ יָמֶיךָ עַל הָֽאֲדָמָה אֲשֶׁר יְהוָה אֱלֹהֶיךָ נֹתֵן לָֽךְ׃

Gij zult een volkomen en gerechten weegsteen hebben; gij zult een volkomene en gerechte efa hebben; opdat uw dagen verlengd worden in het land, dat u de Heere, uw God, geven zal.

DEU

25

15

אֶבֶן שְׁלֵמָה וָצֶדֶק יִֽהְיֶה לָּךְ אֵיפָה שְׁלֵמָה וָצֶדֶק יִֽהְיֶה לָּ֑ךְ לְמַעַן יַאֲרִיכוּ יָמֶיךָ עַל הָֽאֲדָמָה אֲשֶׁר יְהוָה אֱלֹהֶיךָ נֹתֵן לָֽךְ׃

Gij zult een volkomen en gerechten weegsteen hebben; gij zult een volkomene en gerechte efa hebben; opdat uw dagen verlengd worden in het land, dat u de Heere, uw God, geven zal.

DEU

32

4

הַצּוּר תָּמִים פָּעֳלוֹ כִּי כָל דְּרָכָיו מִשְׁפָּ֑ט אֵל אֱמוּנָה וְאֵין עָוֶל צַדִּיק וְיָשָׁר הֽוּא׃

Hij is de Rotssteen, Wiens werk volkomen is; want al Zijn wegen zijn gerichte. God is waarheid, en is geen onrecht; rechtvaardig en recht is Hij.

DEU

33

19

עַמִּים הַר יִקְרָאוּ שָׁם יִזְבְּחוּ זִבְחֵי צֶ֑דֶק כִּי שֶׁפַע יַמִּים יִינָקוּ וּשְׂפוּנֵי טְמוּנֵי חֽוֹל׃ס

Zij zullen de volken tot den berg roepen; daar zullen zij offeranden der gerechtigheid offeren; want zij zullen den overvloed der zeeën zuigen, en de bedekte verborgen dingen des zands.

DEU

33

21

וַיַּרְא רֵאשִׁית לוֹ כִּי שָׁם חֶלְקַת מְחֹקֵק סָפ֑וּן וַיֵּתֵא רָאשֵׁי עָם צִדְקַת יְהוָה עָשָׂה וּמִשְׁפָּטָיו עִם יִשְׂרָאֵֽל׃ס

En hij heeft zich van het eerste voorzien, omdat hij aldaar in het deel des wetgevers bedekt was; daarom kwam hij met de hoofden des volks; hij verrichtte de gerechtigheid des Heeren, en zijn gerichten met Israël.