4.2 Collectieve vreugde

Verrassende kernwoorden in Deuteronomium, i.h.b. in de Parasha Reëe, zijn ‘verheugen’ (Samach - שָׂמַח) en ‘vreugde’ (שָׂמֵחַ). Woorden die twaalf keer voorkoemen in Deuteronomium, tegen één keer in elk van de andere boeken van de Tora.
Als profeet ziet Mozes het gevaar van een door God gezegende samenleving van vrije mensen. Voorspoed betekent neit dat mensen gelukkiger worden en meer vreugde kennen; de geschiedenis leert ons eerder dat het tegenovergestelde eerder het geval lijkt te zijn. Een samenleving die moet vechten om te overleven - hetzij tegen vijanden, hetzij tegen armoede, hetzij vanwege natuurrampen of epidemieën - is doorgaans meer een collectivum dan een welvarend op consumptie gerichte samenleving waarin het ‘ik’ centraal is komen te staan. Vreugde is namelijk iets dat je collectief beleeft, niet als individu.
Mozes opdracht was daarom je voorspoed en geluk te delen en deze samen te vieren. De maatstaf voor zegen is niet inkomen of bestedingsruimte, maar wat met elkaar gedeeld wordt in een samenleving. Daarom wordt een samenleving zoals God bedoeld heeft gekenmerkt door het samend elen van simcha, vreugde.

Ter bespreking

  1. Vragen/opmerkingen?
  2. Dit hoofdstuk bespreekt het belang van vreugde en zich verheugen als kenmerk van een samenleving zoals God een door Hem gezegende samenleving bedoeld heeft. Wat betekent deze opdracht tot delen van vreugde voor een gemeente van volgelingen van de Here Jezus? Hoe geven wij hier inhoud aan?

Bijlage

Zeven maal valt in de Parasha Reëe het werkwoord Samach - verheugen of het zelfstandig naamwoord Simcha - vreugde.

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

DEU

12

7

וַאֲכַלְתֶּם שָׁם לִפְנֵי יְהוָה אֱלֹֽהֵיכֶם וּשְׂמַחְתֶּם בְּכֹל מִשְׁלַח יֶדְכֶם אַתֶּם וּבָתֵּיכֶ֑ם אֲשֶׁר בֵּֽרַכְךָ יְהוָה אֱלֹהֶֽיךָ׃

En aldaar zult gijlieden voor het aangezicht des Heeren, uws Gods, eten en vrolijk zijn, gijlieden en uw huizen, over alles, waaraan gij uw hand geslagen hebt, waarin u de Heere, uw God, gezegend heeft.

DEU

12

12

וּשְׂמַחְתֶּם לִפְנֵי יְהוָה אֱלֹֽהֵיכֶם֒ אַתֶּם וּבְנֵיכֶם וּבְנֹתֵיכֶם וְעַבְדֵיכֶם וְאַמְהֹתֵיכֶ֑ם וְהַלֵּוִי אֲשֶׁר בְּשַֽׁעֲרֵיכֶם כִּי אֵין לוֹ חֵלֶק וְנַחֲלָה אִתְּכֶֽם׃

En gij zult vrolijk zijn voor het aangezicht des Heeren, uws Gods, gijlieden, en uw zonen, en uw dochteren, en uw dienstknechten, en uw dienstmaagden, en de Leviet, die in uw poorten is; want hij heeft geen deel noch erve met ulieden.

DEU

12

18

כִּי אִם לִפְנֵי יְהוָה אֱלֹהֶיךָ תֹּאכְלֶנּוּ בַּמָּקוֹם אֲשֶׁר יִבְחַר יְהוָה אֱלֹהֶיךָ בּוֹ֒ אַתָּה וּבִנְךָ וּבִתֶּךָ וְעַבְדְּךָ וַאֲמָתֶךָ וְהַלֵּוִי אֲשֶׁר בִּשְׁעָרֶ֑יךָ וְשָׂמַחְתָּ לִפְנֵי יְהוָה אֱלֹהֶיךָ בְּכֹל מִשְׁלַח יָדֶֽךָ׃

Maar gij zult dat eten voor het aangezicht des Heeren, uws Gods, in de plaats, die de Heere, uw God, verkiezen zal, gij, en uw zoon, en uw dochter, en uw dienstknecht, en uw dienstmaagd, en de Leviet, die in uw poorten is; en gij zult vrolijk zijn voor het aangezicht des Heeren, uws Gods, over alles, waaraan gij uw handen geslagen hebt.

DEU

14

26

וְנָתַתָּה הַכֶּסֶף בְּכֹל אֲשֶׁר תְּאַוֶּה נַפְשְׁךָ בַּבָּקָר וּבַצֹּאן וּבַיַּיִן וּבַשֵּׁכָר וּבְכֹל אֲשֶׁר תִּֽשְׁאָלְךָ נַפְשֶׁ֑ךָ וְאָכַלְתָּ שָּׁם לִפְנֵי יְהוָה אֱלֹהֶיךָ וְשָׂמַחְתָּ אַתָּה וּבֵיתֶֽךָ׃

En geeft dat geld voor alles, wat uw ziel gelust, voor runderen en voor schapen, en voor wijn, en voor sterken drank, en voor alles, wat uw ziel van u begeren zal, en eet aldaar voor het aangezicht des Heeren, uws Gods, en weest vrolijk, gij en uw huis.

DEU

16

11

וְשָׂמַחְתָּ לִפְנֵי יְהוָה אֱלֹהֶיךָ אַתָּה וּבִנְךָ וּבִתֶּךָ וְעַבְדְּךָ וַאֲמָתֶךָ֒ וְהַלֵּוִי אֲשֶׁר בִּשְׁעָרֶיךָ וְהַגֵּר וְהַיָּתוֹם וְהָאַלְמָנָה אֲשֶׁר בְּקִרְבֶּ֑ךָ בַּמָּקוֹם אֲשֶׁר יִבְחַר יְהוָה אֱלֹהֶיךָ לְשַׁכֵּן שְׁמוֹ שָֽׁם׃

En gij zult vrolijk zijn voor het aangezicht des Heeren, uws Gods, gij, en uw zoon, en uw dochter, en uw dienstknecht, en uw dienstmaagd, en de Leviet, die in uw poorten is, en de vreemdeling, en de wees, en de weduwe, die in het midden van u zijn; in de plaats, die de Heere, uw God, zal verkiezen, om Zijnen Naam aldaar te doen wonen.

DEU

16

14

וְשָׂמַחְתָּ בְּחַגֶּ֑ךָ אַתָּה וּבִנְךָ וּבִתֶּךָ וְעַבְדְּךָ וַאֲמָתֶךָ וְהַלֵּוִי וְהַגֵּר וְהַיָּתוֹם וְהָאַלְמָנָה אֲשֶׁר בִּשְׁעָרֶֽיךָ׃

En gij zult vrolijk zijn op uw feest, gij, en uw zoon, en uw dochter, en uw dienstknecht, en uw dienstmaagd, en de Leviet, en de vreemdeling, en de wees, en de weduwe, die in uw poorten zijn.

DEU

16

15

שִׁבְעַת יָמִים תָּחֹג לַיהוָה אֱלֹהֶיךָ בַּמָּקוֹם אֲשֶׁר יִבְחַר יְהוָ֑ה כִּי יְבָרֶכְךָ יְהוָה אֱלֹהֶיךָ בְּכֹל תְּבוּאָֽתְךָ וּבְכֹל מַעֲשֵׂה יָדֶיךָ וְהָיִיתָ אַךְ שָׂמֵֽחַ׃

Zeven dagen zult gij den Heere, uw God, feest houden, in de plaats, die de Heere verkiezen zal; want de Heere, uw God, zal u zegenen in al uw inkomen, en in al het werk uwer handen; daarom zult gij immers vrolijk zijn.