4.4 De psychologie van waardigheid

Met diverse teksten uit Joodse bronnen illustreert Sacks in dit hoofdstuk het belang van tsedaka in het Jodendom. Armoede beschaamt een mens, tsedaka mag niet aan dat beschaamd zijn bijdragen. Er worden daarom wegen bewandeld die dat voorkomen zoals anonieme weldadigheid, de arme de mogelijkheid bieden in eigen levensonderhoud te voorzien, geen dure begrafenissen voor rijken, niet pronken met rijkdom.
Armoede wordt in het Jodendom nooit als een ideaal voorgesteld, integendeel.
De opdracht tot tsedaka geldt elke Jood, rijk of arm. De logica achter het onlogische gebod aan armen ook de opdracht tot geven op te leggen is dat geven een essentieel onderdeel van menselijke waardigheid is.

Ter bespreking

  1. Vragen/opmerkingen?
  2. In sommige stromingen in het christendom wordt vrijwillige armoede als een deugd beschouwd (zie bijvoorbeeld hier). Het Jodendom ziet dat anders zo schrijft Sacks. Hoe kijk je hier tegenaan?
  3. Kent hulp aan armen ook begrenzingen of zijn wij altijd geroepen armen te helpen?
  4. Mag een kerk ook van leden die een minimaal inkomen hebben vragen te geven? Of moet de kerk dat zelfs doen?